ECLI:NL:PHR:2011:BP6588
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen onrechtmatigheid bij herbegraving en grafrechten volgens meerderheid familie
Deze zaak betreft een geschil over de herbegraving van de moeder naast haar echtgenoot en dochtertje, waarbij de eiser stelt dat de Parochie en Haska B.V. onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door een overeenkomst te sluiten zonder zijn instemming.
De moeder wenste naast haar overleden echtgenoot begraven te worden. Haska, als beheerder van de nalatenschap en rechthebbende op de grafrechten, sloot met de Parochie een overeenkomst over het verplaatsen van de graven van het zusje en de vader, met het oog op de toekomstige bijzetting van de moeder. Zeven van de acht kinderen stemden in met deze regeling.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van de eiser af, waarbij het hof oordeelde dat de voorkeur van de meerderheid van de kinderen prevaleert boven de persoonlijke wens van de eiser. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, bevestigde dat de uitvoering van de overeenkomst niet onrechtmatig is jegens de eiser en benadrukte dat toestemming van de rechthebbende vereist is voor opgravingen, maar dat dit in deze zaak niet in geschil is.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen; uitvoering van de overeenkomst over herbegraving is niet onrechtmatig jegens hem.