ECLI:NL:PHR:2011:BP6596

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01827
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROWHBO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hogeschool niet aansprakelijk voor voortijdig beëindigen dansopleiding leerling

Een leerling volgde een dansopleiding aangeboden door Fontys Hogeschool in samenwerking met een middelbare school. Na het eerste jaar werd zij op advies van Fontys het eerste jaar opnieuw laten doen. Aan het einde van het tweede jaar besloot Fontys dat haar danskwaliteiten onvoldoende waren om door te gaan met de opleiding.

De leerling en haar medestanders stelden dat zij te weinig lesuren had gehad en dat het besluit van Fontys onrechtmatig was. Het college van beroep voor de examens van Fontys verklaarde het bezwaar gegrond en kende een vergoeding toe. Deze vergoeding werd betaald, maar later vernietigde de bestuursrechter het besluit van het college wegens onbevoegdheid.

De rechtbank en het hof oordeelden dat de leerling onvoldoende had gesteld over de gevolgen van te weinig lesuren en dat de vakinhoudelijke beoordeling slechts beperkt getoetst kan worden. De cassatie klaagt over onvoldoende lesuren en wanprestatie, maar de Hoge Raad acht de klachten onvoldoende en verwerpt het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en Fontys Hogeschool is niet aansprakelijk voor het voortijdig beëindigen van de dansopleiding.

Conclusie

10/01827
mr. M.H. Wissink
Zitting: 25 februari 2010 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
1. [Eiser 1]
2. [Eiseres 2]
3. [Eiseres 3]
4. [Eiseres 4]
tegen
Stichting Fontys, Hogeschool voor de kunsten
1. Eiseres tot cassatie sub 4, hierna [eiseres 4], heeft als middelbare scholier een vooropleiding dans gevolgd, die door Fontys werd aangeboden in samenwerking met en op het Trichtercollege te Maastricht. Op advies van Fontys heeft zij het eerste jaar overgedaan. Fontys heeft aan het einde van het tweede schooljaar (2001) beslist dat de danskwaliteiten van [eiseres 4] onvoldoende waren om te worden bevorderd naar een volgend schooljaar en beslist dat [eiseres 4] haar dansopleiding niet kon voortzetten. [Eiser c.s.] heeft de beslissing bestreden via de bestuursrechtelijke weg. Het college van beroep voor de examens Fontys Hogescholen heeft het bezwaar gegrond verklaard en daarbij onder meer overwogen dat een tegemoetkoming in de kosten van een particuliere dansopleiding op zijn plaats is. Het college achtte een vergoeding van fl. 5.000 een billijke vergoeding. Fontys heeft die vergoeding betaald. Na een beroepsprocedure bij de sector bestuursrecht van de rechtbank, heeft de ABRvS uiteindelijk het besluit van dat college vernietigd en het college onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep omdat [eiseres 4] geen student was in de zin van de WHBO.
2. [Eisers] hebben een verklaring voor recht gevorderd dat Fontys dientengevolge schadeplichtig is, alsmede een schadevergoeding van € 15.165,12.
3. Wat betreft de grond dat [eiseres 4] te weinig les heeft genoten, oordeelde de rechtbank Breda in haar vonnis van 6 februari 2008 dat [eiser c.s.] de gevolgen daarvan niet heeft duidelijk gemaakt noch onderbouwd (rov. 3.5 en 3.9). Wat betreft de grond dat [eiseres 4] ten onrechte niet is toegelaten de dansopleiding te vervolgen, heeft de rechtbank vooropgesteld dat zij de vakinhoudelijke beoordeling slechts beperkt kan toetsen, terwijl [eiser c.s.] ook hierover onvoldoende heeft gesteld (rov. 3.7-3.8 en 3.11). Ook wat betreft de stelling dat [eiseres 3] door de situatie haar opleiding niet kon vervolgen, heeft de rechtbank de vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen (rov. 3.12). Het gerechtshof 's-Hertogenbosch is in een uitvoerig gemotiveerde uitspraak tot hetzelfde oordeel gekomen als de rechtbank. Zie met name rov. 8.2.2, 8.3.3, 8.5.2, 8.6 en 8.8.1 van zijn arrest van 22 december 2009.
4. In het (tijdig ingestelde) cassatieberoep wordt erop gehamerd dat [eiseres 4] te weinig danslesuren heeft gekregen in het tweede jaar. De wanprestatie/onrechtmatige daad van Fontys zou daarmee vaststaan. Er zou in ieder geval vaststaan dat [eiseres 4] zich hierdoor onvoldoende heeft kunnen ontwikkelen. Het cassatiemiddel zoekt steun in het (later vernietigde) oordeel van het college van beroep en de toelichting die op dat oordeel is gegeven door de voorzitter van dat college in de procedure bij de sector bestuursrecht van de rechtbank.
5. Het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 4] onvoldoende heeft gesteld zowel wat betreft de gevolgen voor haar van het krijgen van te weinig les, alsmede wat betreft de stelling dat het besluit van Fontys om [eiseres 4] niet te bevorderen de door de rechtbank bedoelde beperkte toetsing niet kan doorstaan. Ook in het licht van de stellingen van [eiser c.s.] in de feitelijke instanties waarnaar in het cassatiemiddel wordt verwezen, zijn de feitelijke oordelen van het hof niet onbegrijpelijk te noemen; voor het overige kunnen zijn in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
Waar de middelen I t/m III er nog op wijzen dat het besluit van 29 juni 2001 niet meer bestaat, miskennen zij dat de rechtbank dat reeds aan haar oordeel ten grondslag had gelegd (rov. 3.6). Middel I, waarvan de strekking blijkt uit de klacht van onderdeel 1.9, stuit overigens reeds af op het oordeel in rov. 8.1.1, dat de feitenvaststelling van de rechtbank niet is bestreden. De klacht over het passeren van het bewijsaanbod in onderdeel 2.5 faalt, nu het hof in rov. 8.2.2 kon oordelen dat onvoldoende is gesteld, zodat aan bewijslevering niet kon worden toegekomen. Anders dan onderdeel 2.7 aanvoert, is wel degelijk relevant dat de dansdocenten rekening hebben gehouden met het aantal genoten lesuren. Nu dit 's hofs oordeel kan dragen, ontbreekt belang bij onderdeel 2.9. Onderdeel 3.2 miskent dat het hof in rov. 8.4.2 verwijst naar zijn beoordeling van de eerste twee grieven en dus hetgeen daaromtrent is overwogen mede ten grondslag heeft gelegd aan zijn verwerping van grief drie.
De klacht van middel IV dat gezien de verstoorde verhoudingen tussen Fontys en [eiseres 4], van [eiseres 3] niet kon worden verlangd met haar dansopleiding verder te gaan, treft evenmin doel. Het feitelijke oordeel van het hof hierover is voldoende gemotiveerd.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G