ECLI:NL:PHR:2011:BP6600
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van griffierechtvergoeding bij ongegrondverklaring van hoger beroep in belastingzaak
In deze zaak stond centraal de vraag of belanghebbende recht heeft op vergoeding van het betaalde griffierecht nadat het Hof zijn principale hoger beroep ongegrond verklaarde, maar het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaarde en de uitspraak van de Rechtbank vernietigde.
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een voorlopige en definitieve aanslag inkomstenbelasting 2005 wegens niet-aftrekbaarheid van ziektekosten. De Rechtbank verklaarde het bezwaar ontvankelijk en oordeelde in het voordeel van belanghebbende, maar het Hof verklaarde het principale hoger beroep ongegrond wegens onvoldoende bewijs van de ziektekosten. Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen de proceskostenvergoeding werd wel toegewezen.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen de beslissing van het Hof om belanghebbende het griffierecht te vergoeden, omdat de uitspraak van de Rechtbank niet op het principale beroep was vernietigd, maar op het incidentele beroep van de Inspecteur. De conclusie van de Advocaat-Generaal onderbouwt dat vergoeding van griffierecht bij ongegrondverklaring van het principale beroep slechts in uitzonderlijke gevallen en op grond van een discretionaire bevoegdheid kan plaatsvinden, en dat het Hof ten onrechte het griffierecht heeft toegekend zonder motivering van bijzondere omstandigheden.
De Hoge Raad bevestigt dat vergoeding van griffierecht bij vernietiging van uitspraak op incidenteel beroep niet automatisch toekomt aan belanghebbende indien diens principale beroep ongegrond is verklaard. De zaak wordt zelf afgedaan en het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en beslist dat vergoeding van griffierecht aan belanghebbende niet toekomt bij ongegrondverklaring van zijn principale hoger beroep.