ECLI:NL:PHR:2011:BP6604

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05282
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 419 lid 2 RvArt. 419 lid 3 RvArt. 429 RvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging partneralimentatie wegens ontbreken wijziging omstandigheden

Partijen waren gehuwd tot 23 mei 2006. De man was verplicht partneralimentatie te betalen aan de vrouw, vastgesteld bij beschikking van 16 januari 2006. Na een verzoek tot vermindering op grond van gewijzigde omstandigheden, stelde de rechtbank bij beschikking van 22 april 2008 de alimentatiebedragen opnieuw vast.

In oktober 2009 verzocht de man opnieuw om wijziging van de alimentatie, wat door de rechtbank bij beschikking van 13 april 2010 werd afgewezen. Het hof bekrachtigde deze beslissing op hoger beroep. De man stelde in cassatie dat de vrouw samenleeft met een ander en dat zijn draagkracht niet juist is beoordeeld.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft vastgesteld dat de man zijn stellingen niet met bewijs heeft onderbouwd en dat de beschikking van 22 april 2008 niet is komen te vervallen door gewijzigde omstandigheden. De klachten van de man falen omdat het hof de feiten en bewijsmiddelen juist heeft gewogen en de wettelijke maatstaven van art. 1:401 BW Pro correct heeft toegepast.

De Hoge Raad bevestigt dat een verzoek tot wijziging van alimentatie alleen kan slagen indien aannemelijk is dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de alimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Dit is hier niet het geval, zodat het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van partneralimentatie wordt afgewezen omdat niet is aangetoond dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de alimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Conclusie

10/05282
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 25 februari 2011
Conclusie inzake:
[De man]
tegen
[De vrouw]
1. Deze alimentatiezaak leent zich voor een verkorte conclusie. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest tot 23 mei 2006. Bij beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 16 januari 2006 is een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vastgesteld.
2. Nadat de man op grond van gewijzigde omstandigheden vermindering van deze partneralimentatie had verzocht, heeft de rechtbank bij beschikking van 22 april 2008 aangenomen dat inderdaad sprake was van een relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank heeft toen de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage en de draagkracht van de man opnieuw berekend. De rechtbank heeft de onderhoudsbijdrage nader vastgesteld op € 1.430,- per maand ingaande 4 oktober 2007, op € 1.460,- per maand ingaande 1 januari 2008 en op € 1.535,- per maand ingaande 1 april 2008.
3. In oktober 2009 heeft de man opnieuw een wijziging (nihilstelling althans vermindering) van de onderhoudsbijdrage verzocht. Bij beschikking van 13 april 2010 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank was niet aangetoond dat de beschikking van 22 april 2008 nadien door wijziging van omstandigheden is opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven (art. 1:401 BW Pro).
4. Op het hoger beroep van de man heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage op 27 oktober 2010 de beschikking van 13 april 2010 bekrachtigd.
5. Namens de man is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft afgezien van verweer in cassatie.
6. Middel 1 bestrijdt als onjuist het oordeel, in rov. 5, dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw samenleeft met een ander, als waren zij gehuwd. Volgens de klacht blijkt uit foto's, een gezamenlijke vakantie en de levensstijl dat er een samenlevingsverband is.
7. Deze klacht faalt omdat de vaststelling van de feiten en de waardering van de bewijsmiddelen zijn voorbehouden aan het hof als hoogste rechter die over de feiten oordeelt (vgl. art. 419 lid Pro 2 i.v.m. art. 429 Rv Pro). Het hof heeft naar aanleiding van het desbetreffende verweer van de vrouw uitdrukkelijk vastgesteld dat de door de man aangekondigde foto's(1) niet zijn overgelegd (vgl. art. 419 lid Pro 3 i.v.m. art. 429 Rv Pro). Het middel bestrijdt bovendien niet de vaststelling dat de man ter zitting heeft verklaard dat hij zijn desbetreffende stelling niet kan staven met bescheiden.
8. Middel 2, gericht tegen rov. 7, verwijt het hof slechts terug te grijpen op de beschikking van 22 april 2008. Volgens de klacht had het hof in het kader van het hoger beroep tegen de beschikking van 13 april 2010 opnieuw moeten beoordelen wat de behoefte van de vrouw in redelijkheid kan zijn. Op deze grond klaagt het middel tevens over de onbegrijpelijkheid van de beslissing.
9. Deze klachten falen. Het middel ziet eraan voorbij dat, wanneer voor het hof niet aannemelijk is geworden dat de beschikking van 22 april 2008 (de laatste beschikking waarin de partneralimentatie was vastgesteld) nadien door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, niet is voldaan aan alle vereisten in art. 1:401 lid 1 BW Pro. Het hof heeft uiteengezet dat, ook al zou de vrouw naast haar AOW-uitkering een aanvullende pensioenuitkering van € 167,- per maand genieten en haar behoefte met dat bedrag zijn afgenomen, zoals de man stelde, dit niet tot een andere uitkomst leidt omdat de bovengrens van de alimentatie nog steeds werd bepaald door de draagkracht van de man. Anders gezegd, de beschikking van 22 april 2008 heeft volgens het hof niet opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De redengeving is voor de lezer niet onbegrijpelijk. Hetgeen ter toelichting op dit middel nog is aangevoerd met betrekking tot een "enorme discrepantie" tussen de inkomsten die de man heeft en het bedrag van de bijdrage die hij aan de vrouw moet afdragen maakt evenmin dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk zou zijn. In rov. 7 gaat het immers om de grief tegen het oordeel van de rechtbank over de behoefte van de vrouw. De draagkracht van de man is door het hof behandeld in rov. 8 en 9, waarbij het hof - naast de periodieke inkomsten van de man - ook aandacht heeft besteed aan de vermogensbestanddelen waarover hij kan beschikken.
10. Middel 3, gericht tegen rov. 9, faalt om dezelfde reden als middel 2 (te weten: het middel miskent het bepaalde in art. 1:401 lid 1 BW Pro). In de toelichting op grief III had de man aangevoerd dat de door hem ontvangen 'gouden handdruk' bedoeld was als aanvulling op zijn inkomen totdat hij de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt. Als de rechtbank uitgaat van vertering van het ontvangen bedrag in een kortere periode, ontstaat volgens de man een tekort vanaf het moment waarop er een einde komt aan zijn werkloosheidsuitkering. Anders dan het middel beweert, is het hof aan dit argument niet zonder motivering voorbijgegaan: in rov. 12 heeft het hof dit argument besproken in een overweging ten overvloede.
11. De in hoger beroep in grief III tevens aan de orde gestelde vraag, of van de man kan worden verlangd in te teren op een erfenis die hij na het overlijden van zijn moeder heeft ontvangen, is door het hof samengevat in rov. 8 en behandeld in rov. 9. Het hof heeft tot het oordeel kunnen komen dat de stelling van de man dat in de beschikking van 22 april 2008 van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan en/of fouten zijn gemaakt, onder meer wat betreft de periode waarover de 'gouden handdruk' als aanvulling op zijn inkomsten nodig was en wat betreft het meewegen van de door de man ontvangen erfenis, niet een wijziging van omstandigheden nadien opleveren die maakt dat de vastgestelde alimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Nadere motivering behoefde dat oordeel niet: zowel de 'gouden handdruk' als de erfenis zijn in de beschikking van 22 april 2008 uitdrukkelijk betrokken. Met het oog op het vierde lid van art. 1:401 BW Pro heeft het hof overwogen dat niet is gebleken dat in de beschikking van 22 april 2008 is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Dat feitelijke oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Onbegrijpelijk is het oordeel niet: grief III verlangde in feite een andere waardering van de feiten. Voor zover in de slotzin van middel 3 is bedoeld dat de alimentatierechter de door de man ontvangen erfenis helemaal niet had mogen betrekken bij het vaststellen van de draagkracht, gaat deze klacht in haar algemeenheid niet op(2).
12. Middel 4 is gericht tegen de overweging dat de man in dit geding niet kan opkomen tegen de destijds in de beschikking van 22 april 2008 door de rechtbank gemaakte keuzes, "nu dit een verkapt appel zou opleveren" (rov. 9 aan het slot). Het middel noemt dit oordeel onbegrijpelijk. Ter toelichting is opgemerkt dat de vrouw in eerste aanleg al had aangevoerd dat stellingen van de man neerkomen op een verkapt appel tegen de beschikking van 22 april 2008(3), dat de rechtbank (in de beschikking van 13 april 2010) dit verweer niet heeft aanvaard en dat de vrouw tegen dit laatste oordeel niet in hoger beroep is opgekomen.
13. Deze motiveringsklacht faalt. Zoals het hof vooropstelde, ging het hier om het hoger beroep tegen de beschikking van 13 april 2010. In die beschikking was de vraag aan de orde of aan de vereisten van art. 1:401, lid 1 resp. lid 4, BW is voldaan. De rechtbank heeft te dien aanzien het standpunt van de vrouw gevolgd en het wijzigingsverzoek van de man afgewezen (zodat er voor de vrouw geen aanleiding was om hoger beroep in te stellen). Nadat de vrouw in appel had herhaald dat bepaalde stellingen van de man neerkomen op een verkapt appel tegen de beschikking van 22 april 2008(4) zonder dat aan de vereisten van art. 1:401, lid 1 of lid 4, BW is voldaan, heeft het hof dit argument in zijn beschikking overgenomen: kennelijk als extra uitleg voor de man waarom niet aan zijn bezwaren tegen de waardering in de beschikking van 22 april 2008 tegemoet is gekomen. Dit behoefde geen nadere motivering om voor de lezer begrijpelijk te zijn.
14. Toepassing van art. 81 RO Pro wordt in overweging gegeven.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Verzoekschrift in hoger beroep, blz. 2.
2 Zie onder meer: HR 1 februari 2002 (LJN: AD6629), NJ 2002, 184; Personen- en familierecht, losbl., aant. 1 op art. 1:397 BW Pro (S.F.M. Wortmann).
3 Het middel vermeldt geen vindplaats in de processtukken; mogelijk is bedoeld de pleitnota namens de vrouw voor de zitting van 2 maart 2010, punt 1.
4 Verweerschrift in hoger beroep, blz. 3, 4, 5 en 6.