ECLI:NL:PHR:2011:BP6928

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04943
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b en cArt. 285 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende aannemelijkheid goed vertrouwen en nakoming verplichtingen

Verzoeker tot cassatie, een alleenstaande man zonder kinderen, had een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP). Het hof te 's-Hertogenbosch had dit verzoek afgewezen op grond dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was ten aanzien van het onbetaald laten van schulden in de vijf jaren voorafgaand aan het verzoek, en dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de verplichtingen uit de regeling zou nakomen en zich zou inspannen om baten voor de boedel te verwerven.

Verzoeker voerde aan dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat hij al tien jaar een WWB-uitkering ontving zonder door betaalde arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien, terwijl hij volgens hem wel degelijk werk had verricht via een uitzendbureau en pas vanaf voorjaar/zomer 2009 een WWB-uitkering ontving. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze stellingen niet voldoende onderbouwd waren met harde feiten en dat het hof terecht had vastgesteld dat bewijsstukken ontbraken en dat de raadsman niet wist of er op dat moment een sollicitatieplicht gold.

De Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht had geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk was dat verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zou nakomen. Omdat deze reden op zichzelf voldoende was voor afwijzing, was het niet nodig om de andere motieven van het hof te beoordelen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goed vertrouwen en nakoming van verplichtingen.

Conclusie

Zaaknummer: 10/04943
mr. Wuisman
Parketdatum: 25 februari 2011
CONCLUSIE inzake:
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
1. Voorgeschiedenis
1.1 Bij arrest d.d. 9 november 2010 bekrachtigt het hof te 's-Hertogenbosch het vonnis d.d. 12 juli 2010 van de rechtbank te Breda, waarbij het verzoek van verzoeker tot cassatie - een alleenstaande man zonder kinderen - is afgewezen. Er zijn blijkens de artikel 285-verklaring schulden tot een bedrag van € 63.573,03, waaronder een schuld van € 27.000,- aan de gemeente Roosendaal wegens ten onrechte genoten Wwb-uitkeringen, een schuld van ongeveer € 18.000,- aan ABN-AMRO en een schuld van € 5.400,- aan IBG-groep. De eerstgenoemde schuld is ontstaan vijf jaren vóór het indienen van het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. In het niet te goeder trouw hebben doen ontstaan van die schuld kan dan ook, aldus het hof in de eerste alinea van rov. 3.5.2, geen aanleiding worden gevonden om het verzoek af te wijzen.
1.2 Het hof acht het verzoek niettemin niet toewijsbaar om twee redenen: (1) het hof acht niet voldoende aannemelijk dat verzoeker tot cassatie te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaren vóór het indienen van het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten; (2) het hof acht onvoldoende aannemelijk dat verzoeker tot cassatie de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Voor beide redenen voert het hof het volgende aan: "Voorts stelt het hof vast dat (verzoeker tot cassatie) sedert 2000 Wwb-uitkeringen ontvangt. Het hof constateert dat ondanks het feit dat (verzoeker tot cassatie) in het kader van de Wwb-uitkering sollicitatieplichtig is, hij ongeveer 10 jaar er niet in geslaagd is door middel van betaalde arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien. Daar komt bij dat (verzoeker tot cassatie) heeft nagelaten zijn stelling dat hij - kennelijk om medische redenen - gedurende enige tijd niet sollicitatieplichtig was, met stukken te onderbouwen."
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 De klacht in het voorgedragen cassatiemiddel komt hierop neer dat de twee voor de afwijzing van het verzoek gegeven redenen op een onjuist fundament rusten. Daartoe wordt gewezen op een beschrijving op blz. 4 van de artikel 285-verklaring van de omstandigheden die invloed hebben gehad op het ontstaan van de schulden. Uit die omschrijving worden onder 2.3 van het verzoekschrift de volgende passages geciteerd:
"Betrokkene ontvangt sinds ongeveer een half jaar een WWB uitkering, daarvoor heeft hij een WW uitkering gehad. Er ligt op dit moment beslag op zijn uitkering (door de Gemeente Roosendaal en [A]). Betrokkene heeft tot 1 februari 2010 vrijstelling van sollicitatieplicht. Hij heeft veel stress door zijn schulden, hij heeft vrijstelling gekregen om alles op orde te krijgen. ... Betrokkene heeft drie keer eerder een aanvraag schuldregeling ingediend, hij is alle keren doorverwezen naar de Wsnp. Betrokkene heeft hier geen gebruik van gemaakt. Er is duidelijk gemaakt dat hij dit nu wel moet doen. Betrokkene heeft in het verleden vaak via het uitzendbureau gewerkt, als er dan geen werk meer was moest hij een uitkering gaan aanvragen. Dit duurde elke keer 6 tot 8 weken waardoor hij in de problemen is gekomen."
Aan die citaten worden onder 2.4 van het verzoekschrift de volgende conclusies verbonden:
"Aldus staat vast dat anders dan het hof overweegt en oordeelt, (verzoeker tot cassatie) daadwerkelijk heeft gewerkt, een WW-uitkering heeft ontvangen (welke uitkering werkgerelateerd is), pas vanaf voorjaar/zomer 2009 die Wwb-uitkering ontvangt (de verklaring is opgemaakt 28 oktober 2009 - advocaat) en (ten minste) tot 1 februari 2010 was vrijgesteld van de sollicitatieplicht."
2.2 Aan de citaten kunnen de zojuist vermelde conclusies niet, althans niet in de omvang en met de stelligheid als onder 2.4 van het verzoekschrift geschiedt, worden getrokken. Dat verzoeker tot cassatie pas vanaf voorjaar/zomer 2009 een Wwb-uitkering ontvangt vermeldt de omschrijving van de persoonlijke omstandigheden, die invloed op het ontstaan van de schulden hebben gehad, niet. Verder wordt in die omschrijving wel melding gemaakt van een vrijstelling van een sollicitatieplicht tot 1 februari 2010, maar dat laat onverlet dat het hof heeft kunnen overwegen dat bewijsstukken ter zake niet in het geding zijn gebracht. Bovendien heeft blijkens het proces-verbaal van de op 1 november 2010 gehouden mondelinge behandeling bij het hof de raadsman van verzoeker tot cassatie verklaard niet te weten of verzoeker tot cassatie op dat moment een sollicitatieplicht had. Voorts wordt in genoemde omschrijving wel ervan gewag gemaakt dat verzoeker tot cassatie in het verleden werk via een uitzendbureau heeft verricht en dat hij, als er geen werk was, een uitkering diende aan te vragen, maar wat voor een uitkering dat was, wordt echter niet nader aangegeven. Dat het steeds om een werkgerelateerde uitkering is gegaan, staat dus niet zonder meer vast. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat er in het verleden ook Wwb-uitkeringen zijn verstrekt.
Een en ander betekent dat de aangevoerde motiveringsklacht niet op echt 'harde' feiten stoelt.
2.3 Intussen geldt ook dat, voor zover het hof ervan uitgaat dat verzoeker tot cassatie al gedurende 10 jaren een Wwb-uitkering ontvangt en al die tijd er niet in geslaagd is door middel van betaalde arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien, dat uitgangspunt ook niet ten volle bevestiging in de processtukken vindt. Uit de omschrijving van de persoonlijke omstandigheden die invloed hebben gehad op het ontstaan van schulden, wordt immers melding gemaakt van het verrichten van werk door verzoeker tot cassatie via een uitzendbureau. Dat doet de vraag rijzen of de twee door het hof gegeven redenen voor het afwijzen van het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten, toch op een onvoldoende fundament rusten en er dus sprake is van een onvoldoende gemotiveerde uitspraak? Dat kan, zo komt het voor, in ieder geval niet voor de tweede reden worden gezegd. Omtrent de inspanningen die verzoeker tot cassatie zowel in het wat verder weg gelegen als in het recente verleden zich werkelijk heeft getroost om arbeid te vinden, waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien én bovendien tot aflossing van (een gedeelte van) de schulden te komen, is uiteindelijk maar weinig gebleken. Er is niets naders gesteld, ook niet in appel, omtrent de aard en omvang van het via het uitzendbureau verrichte werk en ook niet omtrent de vroegere en huidige mogelijkheden voor verzoeker tot cassatie om ander werk dan via het uitzendbureau te verrichten en de mate waarin hij zich daarvoor heeft ingespannen. Onder deze omstandigheid blijft het begrijpelijk dat het hof oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoeker tot cassatie de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Dit levert al een voldoende reden op voor het afwijzen van het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. De vraag of de andere reden van een voldoende motivering is voorzien, mist hierdoor belang.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden