ECLI:NL:PHR:2011:BP7001
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen machtiging uithuisplaatsing na verstrijken termijn
De zaak betreft een vader die hoger beroep instelde tegen een door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing van zijn drie minderjarige kinderen. De machtiging was verleend voor een bepaalde termijn, maar deze termijn was verstreken ten tijde van de behandeling van het hoger beroep bij het hof. Het hof verklaarde de vader niet-ontvankelijk in het hoger beroep, omdat het beroep geen effect meer kon sorteren. De vader stelde dat hij toch ontvankelijk had moeten worden verklaard vanwege een bijzonder belang, waaronder financiële schade door de uithuisplaatsing.
De Hoge Raad overwoog dat vaste jurisprudentie inhoudt dat het verstrijken van de termijn waarvoor de machtiging was verleend, leidt tot niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van belang. Het gestelde financiële belang van de vader was onvoldoende om van een bijzonder belang te spreken dat ontvankelijkheid rechtvaardigt. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de vader de gronden en rechtsgeldigheid van de indicatiebesluiten die aan de machtiging ten grondslag lagen, reeds aan de rechter had kunnen voorleggen, zodat er geen leemte in zijn rechtsbescherming bestond.
De Hoge Raad concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep en bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Deze uitspraak verduidelijkt de grenzen van rechtsbescherming bij machtigingen tot uithuisplaatsing en het belang van tijdige beroepsprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk wegens het verstrijken van de termijn waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing was verleend.