ECLI:NL:PHR:2011:BP8825
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdverblijfplaats kind bij vader na geschil over gezamenlijke gezagsuitoefening
De zaak betreft een conflict tussen voormalige echtelieden over de hoofdverblijfplaats van hun zoon na ontbinding van het huwelijk. De ouders oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, waarbij aanvankelijk een 50/50 verblijfsregeling gold. Na een conflict in maart 2009 woonde de zoon feitelijk bij de vader.
De vader verzocht de rechtbank om de hoofdverblijfplaats officieel bij hem vast te stellen, wat door de rechtbank en het gerechtshof werd toegewezen. De moeder stelde hiertegen beroep in cassatie in, stellende dat art. 1:253a BW een 50/50 regeling niet uitsluit en dat de feitelijke situatie geen stigmatiserende beslissing rechtvaardigt.
De Hoge Raad oordeelt dat de wet niet uitsluit dat de rechter bij een geschil een beslissing neemt die het belang van het kind dient. Het hof heeft gemotiveerd geoordeeld dat de moeizame verhoudingen en slechte communicatie tussen ouders een voortzetting van co-ouderschap in 50/50 verhouding niet in het belang van de toen 15-jarige zoon is. De feitelijke situatie met het kind woonachtig bij de vader en regelmatig contact met de moeder is werkbaar en niet stigmatiserend.
Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en blijft de hoofdverblijfplaats bij de vader gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de hoofdverblijfplaats van het kind blijft bij de vader.