ECLI:NL:PHR:2011:BP9406

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00726
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SvArt. 450 lid 3 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijs en procedurele regels bij mishandeling levensgezel

Op 23 september 2007 mishandelde verdachte zijn levensgezel door haar met kracht te duwen en te stompen, waardoor zij letsel opliep. Het hof verklaarde dit bewezen op basis van verklaringen van verdachte, het slachtoffer en opsporingsambtenaren, alsmede medische bevindingen.

Verdachte stelde in hoger beroep dat de bewijsmiddelen onvoldoende waren en dat het hof ten onrechte geen beslissing had genomen op een verzoek tot het horen van de aangeefster als getuige, gedaan bij appelschriftuur. De Hoge Raad verwierp deze middelen. Het hof had het bewezenverklaarde terecht afgeleid uit de bewijsmiddelen, ondanks dat het slachtoffer haar aangifte later wilde intrekken.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat de rechter niet gehouden is te beslissen over een bij appelschriftuur gedaan getuigenverzoek zonder dat dit verzoek ter terechtzitting is herhaald. Dit volgt uit art. 287 lid 3 sub a Sv Pro. Het ontbreken van rechtsbijstand bij verdachte maakt dit niet anders. Het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens mishandeling blijft in stand.

Conclusie

Nr. 10/00726
Mr. Silvis
Zitting: 15 maart 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is bij arrest van 14 augustus 2009 door het gerechtshof te Amsterdam wegens mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, veroordeeld tot een werkstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat de bewijsmiddelen onvoldoende redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
4. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezen verklaard, dat:
"hij op 23 september 2007 te Beverwijk opzettelijk mishandelend zijn levensgezel [betrokkene 1], met kracht heeft geduwd waardoor zij met haar rug tegen een deur aanviel en met kracht in het gezicht heeft gestompt tengevolge waarvan [betrokkene 1] op de grond viel, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
5. De bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest, luiden als volgt:
"1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 31 juli 2009. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb op 23 september 2007 ruzie gehad met [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]). [Betrokkene 1] wilde weten wie mij de dag ervoor gebeld had. Zij begon mij te slaan. Ik heb haar toen bij haar armen gepakt en de slaapkamer uit geduwd.
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1256/07-120116 van 23 september 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 1]:
Ik doe aangifte van mishandeling door mijn ex-vriend. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
Ik heb al zes jaar een relatie met [verdachte]. Ik woon ongeveer twee jaar met hem samen. Ik woon in zijn huis, gelegen aan de [a-straat 1] te Beverwijk. Op 23 september 2007, om ongeveer om 2 uur in de nacht, kwam [verdachte] thuis. Ik lag toen al in bed. Ik hoorde hem thuis komen, maar zag dat hij niet in bed kwam. Ik ben later gaan kijken en zag dat hij in de slaapkamer van zijn zoons lag te slapen. Ik heb hem toen wakker gemaakt en vragen gesteld. Ik zat vol vragen. Ik zag dat hij boos werd. Ik hoorde hem schreeuwen dat ik moest oprotten en dat ik het huis uit moest gaan. Ik zag dat [verdachte] opstond en zag en voelde dat hij mij met twee handen beetpakte. Dit deed hij van voren. Ik voelde dat hij mij stevig beet had. Ik voelde dat hij mij naar achteren duwde. Dit deed hij zo hard dat ik tegen de deur aan viel. Ik kwam met mij rug tegen de zijkant (smalle vlak) van de deur. Ik voelde pijn in mijn rug. Ik voelde dat [verdachte] mij naar achteren bleef duwen. Ik voelde dat hij mij nog steeds beet hield. Ik werd de slaapkamer uit gedwongen. Toen ik buiten de slaapkamer werd geduwd zag ik dat [verdachte] de deur dicht gooide. Ik zag dat hij vanuit de slaapkamer van zijn zoons naar onze slaapkamer liep. Ik liep achter hem aan de slaapkamer in. Ik zag dat hij op het bed ging zitten. Ik hoorde hem weer schreeuwen. Ik zag dat hij ging staan en op mij afkwam lopen. Ik hield hem met mijn linkerarm tegen, ik gaf een duwtje tegen zijn schouder. Ik hoorde hem toen schreeuwen: "Wat wil je doen". Direct daarop zag ik zijn vuist voor mijn gezicht en voelde ik dat zijn vuist met kracht tegen de linkerzijde van mijn gezicht aan kwam. Ik voelde toen direct pijn in mijn gezicht en linkeroog. Zijn vuistslag was zo hard dat ik uit balans raakte en hard op de grond viel. Ik heb nu enorme hoofdpijn. Ik voel en zie dat de linkerzijde van mijn gezicht nog steeds pijn doet en opgezwollen is.
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL256/07-120116 van 23 september 2007 in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisanten, dan wel één van hen:
Op 23 september 2007 omstreeks 3:33 uur kregen wij de melding om te gaan naar de [a-straat 1] te Beverwijk. Wij verbalisanten, hoorden dat [betrokkene 1] verklaarde dat zij zojuist mishandeld was door [verdachte]. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat de linkerwang van [betrokkene 1] verdikt en rood gekleurd was. Verder klaagde [betrokkene 1] over pijn rond haar linkeroog."
6. Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof het bewezenverklaarde kunnen afleiden. Noch de omstandigheid dat [betrokkene 1], volgens verdachte, bij zijn vertrek uit de woning met haar handen tegen de muur zou hebben geslagen, hetgeen een aanwijzing voor auto-mutilatie zou kunnen opleveren, noch het gestelde feit dat aangeefster haar aangifte naderhand wilde intrekken, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, doen daar aan af. Het middel kan niet slagen.
7. Het tweede middel klaagt dat ten onrechte door het hof voorbij is gegaan aan het feit dat bij appelschriftuur een getuige, zijnde aangeefster, is opgegeven door verdachte.
8. Op 3 juni 2008 is ter griffie van de rechtbank te Amsterdam een brief, afkomstig van verdachte, gedateerd 28 mei 2008 door tussenkomst van het openbaar ministerie binnengekomen. De brief is opgevat als een bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van hoger beroep (art. 450 lid 3 Sv Pro). Daaraan is gevolg gegeven. In deze brief, die oorspronkelijk aan het openbaar ministerie was gericht, wordt verzocht [betrokkene 1] te laten getuigen. De verdachte was ten tijde van het instellen en tijdens de behandeling van het hoger beroep niet voorzien van rechtsbijstand. Met de steller van het middel ben ik van mening dat de brief kan gelden als een bij appelschriftuur opgegeven getuige.(1) Niet gebleken is dat het openbaar ministerie de oproeping van de opgegeven getuige heeft bevolen. Ter terechtzitting is door de aldaar verschenen verdachte niet opnieuw gevraagd om het horen van een getuige. De rechter is niet gehouden op een bij appelschriftuur gedaan verzoek tot oproeping van getuigen te beslissen. Alleen een herhaald, ter terechtzitting gedaan verzoek - en in cassatie niet wordt bestreden hiervan geen sprake is - noopt tot een beslissing. Dat volgt uit art. 287, derde lid, onder a, Sv (HR 24 november 2009, LJN BJ9346, NJ 2009/607). Volgens de steller van het middel ligt de zaak hier anders, omdat door de advocaat-generaal bij het gerechtshof is nagelaten tevoren zijn beslissing kenbaar te maken aangaande het gedane getuigenverzoek, terwijl aan verdachte bovendien niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn verzoek ter zitting niet heeft herhaald. Dat zou anders kunnen zijn, indien ter zitting uitdrukkelijk afstand van het horen van de opgegeven getuige is gedaan. Daarvan blijkt niet. Daar komt bij dat aangeefster/gevraagde getuige niet langer achter haar aangifte stond en verdachte bij het hof persisteerde bij betwisting van de inhoud van die aangifte.
9. Uit de tekst van art. 287, derde lid, onder a, Sv volgt niet dat ter zake van het ter zitting verzoeken om een eerder opgegeven getuige te horen een onderscheid gemaakt moet worden tussen de omstandigheid dat een verdachte van rechtsbijstand is voorzien of niet. Daarop stuit het middel af.
10. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel kan bespreking vergen.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626: In een geval waarin in het desbetreffende geschrift niet met zoveel woorden grieven zijn geformuleerd, maar wel een opgave van een of meer getuigen of deskundigen wordt gedaan, zal de rechter o.g.v. die opgave mogen aannemen dat is voldaan aan het voor de appelschriftuur geldende vereiste dat het de grieven tegen het vonnis bevat.