Het hof verwerpt dit verweer in al zijn onderdelen en overweegt daartoe als volgt.
Ad a. Artikel 1, eerste lid, van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening luidt - voor zover relevant - als volgt:
"1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(...)
d. substantie: stof van menselijke, dierlijke, plantaardige of chemische oorsprong, daaronder begrepen dieren, planten, delen van dieren of planten, alsmede micro-organismen;
e. geneesmiddel: substantie of samenstelling van substanties, welke is bestemd te worden gebruikt of op enigerlei wijze wordt aangeduid of aanbevolen als zijnde geschikt voor:
1°. het genezen, lenigen of voorkomen van enige aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek bij de mens,
2°. het herstellen, verbeteren of wijzigen van het functioneren van
organen bij de mens,
3°. het stellen van een medische diagnose door toediening aan of aanwending bij de mens";
(...)
h. farmaceutische spécialité: geneesmiddel in een farmaceutische vorm, dat in de handel worden gebracht onder een speciale benaming en in een standaardverpakking. "
Het begrip "geneesmiddel" in voormeld artikel moet worden uitgelegd in overeenstemming met de betekenis van dat begrip in artikel 1, punt 2, van de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, hierna te noemen: "Richtlijn 2001/83". Dit artikel luidt - voor zover relevant - als volgt:
"2. Geneesmiddel:
a) elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens; of
b) elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen. "
Op 10 maart 2004 zijn bij een doorzoeking van het pand van [verdachte], gevestigd in het perceel [a-straat 1] te Heerlen, in totaal 4117 flacons Arthritis Prävent en 2052 flacons Arthritis Pävent Forte aangetroffen en in beslaggenomen. Tevens werd een aantal dozen met bijsluiters van beide producten in beslaggenomen.
Uit de aangetroffen gebruiksaanwijzingen van de product Arthritis Prävent en Arthritis Prävent Forte (vertaling in de Nederlandse taal) blijkt - voor zover van belang - het volgende:
"Toepassing: alle acute en chronische artritische aandoeningen.
(...)
De Arthritis-Prävent-combinatie heeft het volgende effect:
1. Verhoging van synthese van kraakbeencellen (glycosaminoglycanen,
proteoglycanen, collageen, proteïnen, ribonucleïnezuur, en desoxyribonucleïnezuur).
2. Verhoogde synthese van hyaluronzuur (de substantie die de viscositeit van de gewrichtsvloeistof bepaalt en ervoor zorgt, dat het gewrichtsvlies en het kraakbeen langs elkaar kunnen glijden).
3. Het afremmen van de enzymen die biomacromoleculen van de kraakbeencellen afbreken.
4. Mobilisering van trombocyten, fibrine, lipiden en cholesterolafzettingen in de tussenruimtes van het gewrichtsslijmvlies.
5. Vermindering van gewrichtspijnen.
6. Ontstekingen van het gewrichtsslijmvlies worden aanmerkelijk verminderd."
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de tabletten die verdachte ter aflevering in voorraad heeft gehad een substantie of samenstelling van substanties zijn die wordt aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens en om deze reden moeten worden aangemerkt als farmaceutische spécialités als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening. Tevens staat naar het oordeel van het hof vast dat deze producten niet in Nederland geregistreerde geneesmiddelen zijn. Het verweer van de raadsman, dat de aangetroffen flyers en productbeschrijvingen louter waren gericht tot artsen en niet tot de gebruiker van het product, treft naar het oordeel van het hof geen doel, reeds niet omdat uit de aangehaalde bepalingen niet blijkt dat het aandienen van het product als geneesmiddel gericht moet zijn op de gebruiker daarvan.
Ad b.
Gelet op hetgeen onder a is overwogen, is het hof van oordeel dat vast staat dat verdachte in Nederland ongeregistreerde farmaceutische spécialités ter aflevering in voorraad heeft gehad, hetgeen is verboden in artikel 3, vierde lid, onder b, van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening. Het verweer van de raadsman, inhoudende dat het verbod niet zou gelden voor producten die worden doorgevoerd naar het buitenland, vindt geen steun in het recht. Immers, noch uit de wet, noch uit de parlementaire geschiedenis ervan, blijkt dat het verbod om - kort gezegd - ongeregistreerde farmaceutische spécialités ter aflevering in voorraad te hebben alleen betrekking zou hebben op dié farmaceutische spécialités die bedoeld zijn voor (uitsluitend) de Nederlandse markt. Het verweer wordt derhalve verworpen."