ECLI:NL:PHR:2011:BP9861

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01217
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad en strafvorderlijke maatregelen

Eiser vorderde schadevergoeding van de Staat wegens vermeende onrechtmatige overheidsdaad en onrechtmatige toepassing van strafvorderlijke maatregelen tijdens een zaak waarin hij betrokken was bij de teruggave van gestolen schilderijen. Hij stelde dat hij een undercover-figuur was, hetgeen door het hof niet werd aangenomen. Het hof oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij als infiltrant handelde, mede omdat hij een vergoeding wilde ontvangen en niet de politie inschakelde.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat eiser niet als undercover-figuur kon worden beschouwd en dat de vordering op die grond afwijzing vond. Daarnaast achtte het hof het niet aannemelijk dat eiser bedreigingen had ondervonden vanwege zijn contacten met anderen die de schilderijen in bezit hadden. De Hoge Raad vond de feitenwaardering van het hof begrijpelijk en onttrokken aan cassatie.

De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatieberoep moest worden verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro. Daarmee bleef het arrest van het hof in stand, waarbij de vordering van eiser werd afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Conclusie

10/01217
mr J. Spier
Zitting 4 februari 2011 (bij vervroeging)
Verkorte Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Staat der Nederlanden
1. Voor de feiten verwijs ik naar rov. 4.1 van 's Hofs arrest.
2. Het gaat in essentie om het volgende. [Eiser] heeft Sotheby's benaderd in verband met bij haar gestolen schilderijen. [Eiser] wilde bemiddelen bij teruggave waarvoor hij € 5000 wilde hebben. Bij de overhandiging van de schilderijen is onder meer [eiser] opgepakt. Uiteindelijk is de strafzaak tegen hem geseponeerd omdat hij "door het feit of de gevolgen is getroffen".
3. In deze procedure vordert [eiser] schadevergoeding wegens de toegepaste strafvorderlijke maatregelen en wegens het negeren door de Staat van pretense bedreigingen aan zijn adres.
4. Zowel de Rechtbank Amsterdam als het Hof aldaar heeft de vordering afgewezen. Tegen 's Hofs arrest heeft mr J. Groen tijdig cassatieberoep bezorgd dat door de Staat is tegengesproken.
5. De klachten falen op de gronden vermeld in de s.t. van de Staat onder 2.2 en 2.3.
6. Gezien de aard van deze zaak en de beweerde schending van art. 5 EVRM Pro wil ik met het voorafgaande niet volstaan.
7. Juist is dat [eiser] heeft gesteld dat hij (aanvankelijk) wilde dat Sotheby's de politie in zou schakelen. Maar hij heeft eveneens het tegendeel verklaard.(1)
8. In essentie is de vordering gegrond op de stelling dat [eiser] een door de Staat ingeschakelde "undercover-figuur" zou zijn. Het Hof heeft dat niet aangenomen (rov. 4.3 en 4.5), welk oordeel in cassatie niet (laat staan op begrijpelijke wijze) is bestreden. Het is ook niet bijzonder aannemelijk omdat:
a) in confesso is dat [eiser] van Sotheby's een (niet onaanzienlijke) vergoeding wenste voor zijn bemoeienissen;
b) dit niet strookt met de gang van zaken zoals door hem geschetst bij de comparitie in prima. Volgens die uiteenzetting zou hij "met de jongens" in contact zijn gekomen "in een winkel op de [a-straat] in Leiden".(2) Hij is "geïnteresseerd" in kunst en komt daarom "veelvuldig op rommelmarkten en dergelijke".(3) "Iedereen in Leiden" zou weten dat hij "zich bezighoudt met kunst". Hij zou zijn benaderd door een onbekende (volgens de mvg door "een vagelijk bekend persoon"). Dit relaas roept alleen maar vragen op;
c) [eiser] tegen de politie heeft verklaard dat hij nadat hem, naar hij meende, een Mondriaan waarvan hij dacht dat deze gestolen was, was getoond aan zijn ex vrouw en dochters heeft gevraagd wat hij moest doen (prod. bij mvg). Als "infiltrant" zou hij dat evenwel hebben geweten.
9. Als gezegd is het Hof niet uitgegaan van de stelling dat [eiser] een "undercover-figuur" (burgerinfiltrant) was. Daarmee lag de wél op die stelling gegronde vordering voor afwijzing gereed. In appel was de vordering alleen hierop gebaseerd.
10. Daar komt bij - maar dat ten overvloede - dat ook hetgeen [eiser] verklaart over zijn contacten met lieden die de gestolen schilderijen in hun bezit hadden, weinig plausibel is. Dat laat geen andere conclusie toe dan dat [eiser] ten minste heeft moeten begrijpen dat:
a) Sotheby's zou veronderstellen dat hij betrokken was bij deze diefstal of de heling van de schilderijen;
b) daarom contact op zou nemen met de politie zodat
c) er een gerede kans bestond dat deze zou ingrijpen ten tijde van de overhandiging daarvan.
11. Hiervan uitgaande, bestond voor de anderen (allicht ten minste ten dele dieven of helers), weinig grond om [eiser] dit ingrijpen aan te rekenen. Ook zij hebben moeten begrijpen dat zij dit risico liepen; een risico dat ze welbewust op de koop toe hebben genomen. Voor bedreiging en dergelijke meer bestond dan weinig reden. Zij is (ook) daarom niet aannemelijk. Ook niet trouwens, voor zover uit de stukken valt op te maken, ex post facto.
12. Ook wanneer zou worden uitgegaan van [eiser]'s stelling dat hij een undercover-figuur was, kan moeilijk een andere conclusie worden getrokken dan dat hij voor een wraakactie niet beducht was. Niet alleen omdat de anderen daarvan niet op de hoogte zouden zijn, maar ook omdat hij er zelf voor heeft gekozen om niet de politie te verwittigen (wat toch in de rede zou hebben gelegen wanneer men voor de Staat "infiltreert") maar integendeel Sotheby's, van wie hij een aanzienlijk geldbedrag heeft gevraagd, heeft benaderd. Blijkbaar was hij niet serieus bevreesd voor eventuele rancune van de anderen.
13. Naast de door het Hof genoemde redenen - die in cassatie niet op begrijpelijke wijze worden bestreden - ligt hetgeen hiervoor onder 10 - 12 werd opgemerkt in zijn arrest besloten. Het berust op een feitelijke en zeker niet onbegrijpelijke waardering van feitelijke aard die zich onttrekt aan toetsing in cassatie.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Uitgewerkte telefoontap blz. 7; prod. bij inl. dag.
2 Volgens de mvg zou sprake zijn van "een inboedelhuis (oude garage) gerund door een Marokkaanse man in het centrum van Leiden." Blijkens een bij de mvg gevoegde verklaring zou [eiser] de naam van de straat niet kennen.
3 In een prod. bij mvg is nog een verklaring van [eiser] gevoegd waarin hij rept van "een vriend" van wie hij achternaam niet kent. Deze zou "een antiekwinkel" zonder naam hebben bij "het riviertje de Mare".