ECLI:NL:PHR:2011:BP9992

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02867
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 407 lid 2 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep in koopwoningzaak met agrarische bestemming en dwaling

In deze zaak stond de koop van een woning met een agrarische bestemming centraal, waarbij eiser een beroep deed op dwaling. Het hof 's-Gravenhage had eerder arresten gewezen waarin het beroep op dwaling werd afgewezen. Tegen deze arresten werd cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De Procureur-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. Diverse onderdelen van het middel voldeden niet aan de vereisten van artikel 407 lid 2 Rv Pro, omdat zij onvoldoende feitelijke onderbouwing bevatten. Andere klachten waren onbegrijpelijk of faalden omdat eiser kansen had laten liggen tijdens de procedure, zoals het stellen van vragen aan getuigen.

De Hoge Raad volgde deze conclusie en verwierp het beroep. Hiermee bleef de eerdere uitspraak van het hof in stand dat geen sprake was van dwaling die tot vernietiging van de koopovereenkomst zou leiden.

De uitspraak bevestigt het belang van een goede procedurele onderbouwing van klachten in cassatie en benadrukt dat het niet stellen van vragen aan getuigen kan leiden tot het falen van klachten. De zaak betreft een complexe beoordeling van dwaling binnen het verbintenissenrecht bij de koop van een woning met een bijzondere bestemming.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de eerdere arresten werden bevestigd.

Conclusie

10/02867
mr. J. Spier
Zitting 25 maart 2011 (bij vervroeging)
Verkorte Conclusie inzake
[Eiser 1]
[Eiseres 2]
tegen
[Verweerder 1]
[Verweerster 2]
1. In cassatie is tijdig opgekomen tegen de arresten van het Hof 's-Gravenhage van 1 november 2007 en 1 juni 2010.
2. De onderdelen 1.2 (1.1 behelst geen klacht) - 1.6 van het eerste middel voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. omdat zij niet aangeven waar de daarin genoemde stellingen in feitelijke aanleg zijn betrokken.
3. Onderdeel 1.7 is onbegrijpelijk omdat niet valt in te zien hoe het Hof in zijn tussenarrest rekening kon houden met een posterieure verklaring. Dat trekt onderdeel 1.8 mee in zijn val.
4. Onderdeel 1.9 mislukt reeds omdat [eiser] zelf de kans heeft gehad om de daarin genoemde vragen aan de getuige te stellen wat hij blijkbaar heeft nagelaten.
5. Op dit alles ketst de voortbouwende klacht van onderdeel 1.10 eveneens af.
6. Middel II mislukt. Dat spreekt voor zich.
7. De onderdelen 3.1 - 3.4 van het derde middel behelzen, naar ik begrijp, klachten die voortbouwen op het eerste middel. Zij delen daarom hun lot.
8.Voor zover onderdeel 3.5 al begrijpelijk is en [eiser] niet opbreekt dat geen beroep wordt gedaan op een vindplaats in de dingtalen waar hij aandacht voor dit punt heeft gevraagd, mislukt het omdat het niet voorbij gaat aan 's Hofs redengeving.
9. Onderdeel 3.6 is onbegrijpelijk voor zover het iets bedoelt toe te voegen aan de eerdere klachten en mislukt als het een herhaling van zetten is.
10. Onderdeel 3.7 behelst een voortbouwende klacht die eveneens faalt.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal