ECLI:NL:PHR:2011:BQ0132

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04601 J
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 6 EVRMArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijk in vereniging plegen van geweld door significante bijdrage zonder zelf geweld te plegen

De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen twee slachtoffers in Rijswijk in de periode van juli 2007 tot januari 2008. De verdachte leverde volgens het hof een voldoende significante bijdrage door het versturen van sms-berichten waarmee zij medeverdachten informeerde over de locatie van de slachtoffers, terwijl zij wist dat deze dan mishandeld zouden worden. Daarnaast was zij meermalen aanwezig bij de mishandelingen, moedigde zij de daders aan door mee te lachen en stookte zij de anderen op.

De verdachte voerde in hoger beroep aan dat zij geen wezenlijke bijdrage had geleverd omdat zij zelf geen geweldshandelingen had verricht en het enkel aanwezig zijn en informeren onvoldoende zou zijn. Het hof verwierp dit verweer en stelde dat ook niet-gewelddadige handelingen zoals informeren en aanmoedigen kunnen kwalificeren als een significante bijdrage aan het geweld.

De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat aanwezigheid alleen niet voldoende is, maar een bijdrage die niet noodzakelijk gewelddadig hoeft te zijn wel. De klacht van de verdachte dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom lachen als aanmoediging geldt, werd eveneens verworpen omdat het hof dit in samenhang met andere gedragingen heeft beoordeeld.

De Hoge Raad constateerde wel een overschrijding van de redelijke termijn, maar achtte dit niet reden voor vernietiging of strafvermindering gezien de opgelegde straf. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor openlijk in vereniging plegen van geweld wegens een significante bijdrage zonder zelf geweld te plegen.

Conclusie

Nr. S 09/04601 J
Mr. Vegter
Zitting 1 februari 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 21 juli 2009 ter zake van "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van zesentwintig dagen, waarvan vijftien dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde zoals omschreven in het bestreden arrest, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van veertig uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. Het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen noch de nadere bewijsoverweging duidelijk wordt op grond waarvan het handelen van verdachte als een wezenlijke en significante bijdrage kan worden beschouwd aan het in vereniging in het openbaar gepleegde geweld.
4. Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"1. zij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 9 januari 2008 te Rijswijk, met anderen, op of aan de openbare weg, de Johan Brouwerstraat (Petrusschool) en de Prinsesbeatrixlaan (winkelcentrum "De Boogaard") meermalen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit
- het slaan en/of stompen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en
- het schoppen tegen de rug en de buik en de benen van die [slachtoffer 1] en
- het duwen van die [slachtoffer 1].
2. zij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 23 januari 2008 te Rijswijk, met anderen op of aan de openbare weg, de Johan brouwerstraat (Petrusschool) en/of de Prinsesbeatrixlaan (winkelcentrum "De Boogaard") meermalen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit
- het slaan en/of stompen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en
- het schoppen tegen de rug en de benen van die [slachtoffer 2] en
- het slaan met een bamboestok op het been van die [slachtoffer 2]."
5. Daartoe heeft het Hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
"Ter zake van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten:
1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2009 verklaard -zakelijk weergegeven-: [Slachtoffer 1] had ruzie met [betrokkene 1] en de jongens, zoals [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. [Slachtoffer 1] is door die groep in elkaar geslagen waar ik bij was en ik ben niet weggegaan. Ik heb niets gedaan om de mishandelingen van [slachtoffer 1] te stoppen. Ik was er bij toen [slachtoffer 2] met een stok werd geslagen. Dat gebeurde bij de Petrusschool. Ik had weg kunnen lopen, maar ik heb dat niet gedaan. Met mijn telefoon werden sms'jes verstuurd om de groep op de hoogte te stellen waar [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] op dat moment waren. Als [betrokkene 1] mijn telefoon leende wist ik van tevoren dat zij daarmee die sms'jes zou gaan sturen. Ik stond er dan bij. De anderen wisten door mij en [betrokkene 1] vaak waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren. Ik wist ook wat er dan zou gaan gebeuren en wat de gevolgen zouden zijn. Ik wist dat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dan in elkaar geslagen zouden worden.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van politie Haaglanden, Pv nummer: PL1561/2008/1658-128, d.d. 9 februari
2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], brigadier van politie, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar (pag. 4 02-404 van het dossier).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 9 februari 2008 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte:
[Betrokkene 2], [betrokkene 5], en [betrokkene 6] zijn vrienden van mij van buiten. De jongens zijn aangehouden voor mishandeling van [slachtoffer 1]. Ze hebben de mishandelingen gefilmd. De jongens wisten waar [slachtoffer 1] was omdat [betrokkene 1] dat sms'te. [betrokkene 1] en ik lieten de jongens komen om [slachtoffer 1] in elkaar te laten slaan. Het idee kwam meestal van [betrokkene 1] af maar ik was het er wel mee eens. Ik denk dat ik er bijna alle keren bij ben geweest dat [slachtoffer 1] of haar broertje [slachtoffer 2] in elkaar werden geslagen. Dit heeft echt heel vaak plaatsgevonden. Zij werd mishandeld door [betrokkene 6], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. De mishandelingen duren al maanden en
ik heb er niets tegen gedaan.
3. Het proces-verbaal van aangifte van politie Haaglanden, Pv nummer: PL1561/2008/1658-1, d.d. 21 januari 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], brigadier van politie
(pag. 41-44 van het dossier). Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 21 januari 2008 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]:
In de zomer van 2007 leerde ik [betrokkene 2] kennen bij winkelcentrum De Boogaard in Rijswijk. Ik ben sinds die tijd
een aantal keren mishandeld door de groep die bij [betrokkene 2] hoort. Ik ben voor het eerst door die groep mishandeld bij mijn school, de Petrusschool. Naast [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6]) waren er nog vier of vijf kinderen bij. [Betrokkene 2] en de anderen hebben mij toen geslagen en in mijn buik en op mijn rug en benen geschopt. De tweede keer dat ik door [betrokkene 2] en die groep ben mishandeld, stond [betrokkene 2] me weer op te wachten bij school met ongeveer tien kinderen. [Betrokkene 6] en [betrokkene 3] waren er ook weer bij. [Betrokkene 2] zei dat ze me in elkaar moesten slaan. Alle kinderen uit de groep hebben mij toen geslagen en geschopt. [Betrokkene 6] heeft mij een aantal keren in mijn buik geschopt. De derde keer dat ik werd mishandeld door de groep van [betrokkene 2], [betrokkene 6] en [betrokkene 3] was na Sinterklaas en weer bij school. Ze hebben toen mij en mijn broertje geslagen en geschopt. De laatste keer gebeurde het op 9 januari 2008, in de Bogaard bij de uitgang van de passage aan de Prinses Beatrixlaan. Toen waren het alleen [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 6]. [Betrokkene 6] heeft me een aantal keren geschopt en [betrokkene 3] heeft me ook geschopt, Iedere keer dat ik werd geslagen en geschopt hebben ze het gefilmd. Dat deden ze met hun mobieltjes. Ik heb gezien dat mijn broertje werd geslagen door de groep van [betrokkene 2].
4. Het proces-verbaal van aangifte van politie Haaglanden, Pv nummer: PL1561/2008/1787-3, d.d. 23 januari 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], inspecteur van politie (pag.58-59 van het dossier). Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 23 januari 2008 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer 2]:
Vanaf de zomervakantie 2007 hebben mijn zus [slachtoffer 1] en ik problemen met [betrokkene 2]. [Betrokkene 2] heeft heel vaak mijn zus opgewacht, samen met vrienden van hem en [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). [Betrokkene 2] en de andere kinderen sloegen en schopten dan mijn zus. Als mijn zus niet in de buurt was pakten ze mij en in totaal ben ik acht à negen keer geslagen of geschopt door [betrokkene 2] en zijn vrienden. [verdachte] is degene die de andere kinderen opstookt, opjut, om ons te slaan. Mijn zusje en ik liepen rond 5 december 2007 een keer buiten, terug van winkelcentrum 'De Boogaard', en kwamen [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 6] tegen. [Betrokkene 2] en één van die andere jongens begonnen ons te schoppen. Ik voelde dat ik tegen de achterkant van mijn benen en tegen mijn rug werd geschopt. Ik heb gezien dat ze [slachtoffer 1] ook hebben geschopt.
Vandaag, woensdag 23 januari 2008, was ik op het schoolplein van de Petrusschool aan de Johan Brouwersstraat (het hof leest: Brouwerstraat) te Rijswijk. [Betrokkene 2], [betrokkene 3] of [betrokkene 6], [betrokkene 1] en [verdachte] kwamen naar mij toe lopen. Ik voelde dat [betrokkene 2] mij heel hard met zijn vuist bovenop mijn hoofd sloeg. Vervolgens sloeg [betrokkene 3] of [betrokkene 6] mij met een bamboestok tegen mijn been.
5. Het proces-verbaal van verhoor van politie Haaglanden, Pv nummer: PL1561/2008/1787-8, d.d. 23 januari 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], inspecteur van politie (pag.64-66 van het dossier). Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 23 januari 2008 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Vandaag, 23 januari 2008, heb ik [slachtoffer 2] op het schoolplein met mijn vuist op zijn hoofd geslagen. Ik zag dat de bamboestok die [betrokkene 3] in zijn handen had, brak nadat hij [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) had geslagen. Ik geloof dat hij hem op zijn knieën heeft geraakt. [betrokkene 6], [betrokkene 3] en ik hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] tussen de tien en vijftien keer geschopt en geslagen. We sloegen [slachtoffer 1] wanneer we haar zagen; dat was vaak. Ze was vaak ook met haar broertje. We zijn drie of vier keer naar de Petrusschool gegaan om haar op te zoeken. Ongeveer twee weken geleden was ik samen met [betrokkene 1], [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte), [betrokkene 6] en [betrokkene 3] op het schoolplein van de Petrusschool. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren daar ook. [Slachtoffer 2] is toen geslagen en geschopt. [slachtoffer 1] is toen ook geschopt door een jongen.
6. Het proces-verbaal van verhoor van politie Haaglanden, Pv nummer: PL1561/2008/1787-12, d.d. 24 januari 2008,
opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], brigadier van politie, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar (pag. 67-72'van het dossier).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 24 januari 2 008 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Het zou kunnen dat we [slachtoffer 1] voor het eerst in de zomer van 2007 hebben mishandeld. De eerste keer heb ik haar tegen haar benen geschopt en op haar armen geslagen. [Betrokkene 3] en [betrokkene 6] hebben haar toen ook geslagen en geschopt. Ik heb [slachtoffer 1] heel vaak geslagen en geschopt. [betrokkene 3], [betrokkene 7], [betrokkene 6] en ik zijn bij alle mishandelingen geweest. [betrokkene 1] is er ook vaak bij geweest. Na de mishandelingen lachten wij en bekeken de filmpjes die we met onze mobiele telefoons hadden gemaakt.
7. Het proces-verbaal van verhoor van politie Haaglanden, Pv nummer: PL1561/2008/1658-163, d.d. 11 februari 2008,
opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], brigadier van politie (pag.
485-487 van het dossier).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven als de op 11 februari 2008 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Ik ging om met [betrokkene 2], [betrokkene 6], [betrokkene 3], [betrokkene 7] en [betrokkene 4]. Ik wist dat de jongens [slachtoffer 1] bij de Bogaard hadden mishandeld; ik was er zelf bij. [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en ik brachten meestal samen via de sms of msn de jongens op de hoogte waar [slachtoffer 1] was. Dankzij mij en [verdachte] wisten de jongens altijd waar [slachtoffer 1] was en werd ze dus in elkaar geslagen. Ik wist meestal wel wat er zou gebeuren als de jongens dan naar ons toe zouden komen. Meestal werd [slachtoffer 1] dan geslagen en geschopt door de eerder door mij genoemde jongens en die jongens gingen daar dan filmpjes over maken. Ik ben er heel vaak bij geweest dat [slachtoffer 1] geslagen en geschopt werd. [Verdachte] en ik hebben samen wel eens staan lachen omdat [slachtoffer 1] door de jongens geslagen en geschopt werd.
8. Het proces-verbaal van verhoor van politie Haaglanden, Pv nummer: PL1561/2008/1658-43, d.d. 25 januari 2008,
opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], hoofdagent van politie (pag 207-209 van het dossier). Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 25 januari 2008 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:
Ik ga om met [betrokkene 3], [betrokkene 7], [betrokkene 6], [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte), [betrokkene 1] en [betrokkene 5]. Ik noem deze namen omdat zij erbij waren toen [slachtoffer 1] en haar broertje in elkaar werden geslagen. [Verdachte] stookt veel op en vertelt vaak waar [slachtoffer 1] heen gaat. Ik heb [slachtoffer 1] weggeduwd op het schoolplein.
9. Het proces-verbaal van verhoor getuige van politie Haaglanden, Pv nummer: PL1561/2008/1658-2, d.d. 21 januari 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], brigadier van politie
(pag. 45-47 van het dossier).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 21 januari 2008 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van getuige [getuige]:
Ik weet dat [slachtoffer 1] is mishandeld door een groep Marokkanen. [betrokkene 2] en [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) hebben die groep opgestookt tegen [slachtoffer 1], dat heeft [slachtoffer 1] mij zelf verteld."
6. Voorts heeft het Hof ten aanzien van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer het volgende overwogen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman, zakelijk weergegeven, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar onder 1 en 2 tenlastegelegde, omdat zij geen wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan het in vereniging in het openbaar gepleegde geweld tegen de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zoals tenlastegelegde.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte meermalen haar mobiele telefoon heeft uitgeleend aan medeverdachte [betrokkene 1], terwijl zij wist dat laatstgenoemde hiermee de andere medeverdachten op de hoogte zou stellen waar de slachtoffers [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich op dat moment bevonden en dat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich dan zouden worden geslagen of geschopt. Daarnaast is de verdachte meermalen aanwezig geweest bij de bewezen verklaarde mishandelingen van beide slachtoffers - welke mishandelingen (regelmatig) werden gefilmd met behulp van mobiele telefoons - , heeft zij de anderen opgestookt om de slachtoffers te slaan en heeft zij - samen met medeverdachte [betrokkene 1] - staan lachen terwijl [slachtoffer 1] door de jongens werd geslagen en geschopt, een en ander zoals blijkt uit de bewijsmiddelen.
Naar 's hofs oordeel heeft de verdachte aldus het plegen van het geweld tegen de slachtoffers bevorderd en wellicht zelfs uitgelokt en is er, anders dan door de raadsman betoogd, wel degelijk sprake geweest van een voldoende significante en wezenlijke bijdrage van de verdachte aan de gepleegde gewelddadigheden zoals ten laste gelegd, zodat haar handelen kan worden aangemerkt als het openlijk in vereniging plegen van geweld als bewezen verklaard.
Het hof verwerpt het verweer.
(...)"
7. In de toelichting op het middel wordt erover geklaagd dat het op de hoogte stellen van anderen waar de slachtoffers zich op dat moment bevonden en het meermalen aanwezig zijn bij de (door anderen gepleegde) mishandelingen, zonder zelf geweldshandelingen te verrichten onvoldoende is voor een significante en wezenlijke bijdrage in de zin van art. 141 Sr Pro. Ten tweede klaagt het middel erover dat het staan lachen terwijl het slachtoffer werd geschopt en geslagen niet kan worden beschouwd als "anderen hebben aangemoedigd", zoals bedoeld in de wetsgeschiedenis, waarbij verwezen wordt naar Kamerstukken II 1998-1999, 26519, nr. 3, p. 6-7. Aldus zou de bewezenverklaring onvoldoende zijn gemotiveerd.
8. In overweging 3.6.3. van het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2010, LJN: BM2474 is de vraag naar het te bewijzen aandeel bij openlijke geweldpleging als volgt verwoord: "Vooropgesteld moet worden dat van "in vereniging" plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt (vgl. HR 7 juli 2009, LJN BH9029, NJ 2009/400)."(1) Het Hof heeft gelet hierop de juiste maatstaf gehanteerd en de vraag resteert of inderdaad aan die maatstaf is voldaan.
9. De overweging van het Hof dat verdachte het plegen van het geweld tegen de slachtoffers heeft bevorderd en wellicht zelfs heeft uitgelokt en dat die handelingen een voldoende significante en wezenlijke bijdrage in de zin van art. 141 Sr Pro opleveren is niet onbegrijpelijk. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, levert de omstandigheid dat verdachte de medeverdachten op de hoogte stelde van de plaats waar de slachtoffers zich op dat moment bevonden en het meermalen aanwezig zijn bij de mishandelingen, zonder zelf geweldshandelingen te verrichten wél voldoende op om te worden beschouwd als een voldoende en significante bijdrage aan de gepleegde geweldshandelingen. Weliswaar blijkt uit de bewijsmiddelen en de overweging van het Hof dat verdachte, zoals ook de steller van het middel betoogt, zelf geen geweldshandelingen tegen de slachtoffers heeft gepleegd, maar dat neemt niet weg dat uit die bewijsmiddelen blijkt dat verdachte door haar handelen een voldoende en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de gepleegde gewelddadigheden. Dat verdachte de medeverdachten door middel van sms-berichten op de hoogte heeft gesteld van de plek waar de slachtoffers zich op dat moment bevonden, - terwijl verdachte bovendien wist wat er dan met die slachtoffers zou gebeuren - en verdachte de medeverdachten aldus door haar handelen ertoe in de gelegenheid heeft gesteld om de slachtoffers te schoppen en te slaan en verdachte bovendien de medeverdachten daartoe heeft opgestookt of opgejut heeft het Hof immers kunnen afleiden uit:
- bewijsmiddel 1 (de verklaring van verdachte), onder meer inhoudende dat zij wist dat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dan in elkaar geslagen zouden worden;
- bewijsmiddel 2 (de verklaring van verdachte), onder meer inhoudende dat zij en medeverdachte [betrokkene 1] de jongens lieten komen om [slachtoffer 1] in elkaar te laten slaan, dat het idee van [betrokkene 1] afkwam maar dat zij het er wel mee eens was;
- bewijsmiddel 4 (de verklaring van aangever [slachtoffer 2]), voor zover inhoudende dat verdachte degene is die de andere kinderen opstookt of opjut om hen te slaan;
- bewijsmiddel 7 (de verklaring van medeverdachte [betrokkene 1]), voor zover inhouden dat dankzij haar en [verdachte] de jongens altijd wisten waar [slachtoffer 1] was en ze dus in elkaar werd geslagen;
- bewijsmiddel 8 (de verklaring van [betrokkene 4]), voor zover inhoudende dat [verdachte] veel opstookt en vaak vertelt waar [slachtoffer 1] heen gaat; en
- bewijsmiddel 9 (de verklaring van [getuige]), voor zover inhoudende dat [betrokkene 2] en verdachte die groep hebben opgestookt tegen [slachtoffer 1].
Deze bewijsmiddelen in aanmerking nemende was de situatie in onderhavige zaak niet aldus dat verdachte er alleen bij stond toen de anderen geweld pleegden. Het komt mij voor dat dat op de hoogte stellen waar de slachtoffers zich op dat moment bevonden cruciaal is geweest voor het uiteindelijke plegen van de geweldshandelingen door de medeverdachten. Daarbij wijs ik erop dat pagina 6 van Kamerstukken II 1998-1999, 26519, nr. 3, waarnaar in de toelichting op het middel wordt verwezen, onder meer vermeldt dat het oogmerk van deze wetswijziging uitsluitend daarin is gelegen, ook degenen die verantwoordelijk zijn voor een openlijke geweldpleging zonder dat zij (aantoonbaar) geweld hebben gepleegd, expliciet onder de reikwijdte van artikel 141 Sr Pro te brengen. In zoverre faalt het middel.
10. Voor wat betreft de tweede klacht merk ik allereerst op dat het Hof de vaststelling dat er sprake is geweest van een voldoende significante en wezenlijke bijdrage als bedoeld in art. 141 Sr Pro niet alleen heeft gebaseerd op de omstandigheid dat verdachte - samen met medeverdachte [betrokkene 1] - heeft staan lachen, terwijl [slachtoffer 1] door de jongens werd geslagen en geschopt, maar eveneens (en vooral) onder meer op de omstandigheid dat verdachte de medeverdachten op de hoogte stelde van de plaats waar de slachtoffers [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich op dat moment bevonden, terwijl zij wist dat zij dan zouden worden geslagen en geschopt en dat zij meermalen aanwezig is geweest bij de bewezen verklaarde mishandelingen. Pagina 7 van de Kamerstukken II 1998-1999, 26519, nr. 3, houdt onder meer in dat "die bijdrage kàn bestaan uit het plegen van een gewelddadige handeling, maar dat hoeft echter niet". Als voorbeeld wordt aangehaald dat betrokkene ook met een bivakmuts kan hebben rondgelopen en anderen kan hebben heeft aangemoedigd (cursivering; PV). Niet valt in te zien waarom het staan lachen terwijl het slachtoffer werd geschopt en geslagen niet kan worden beschouwd als één van de aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat zij ook daardoor anderen heeft aangemoedigd.
11. Het middel faalt mitsdien.
12. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte, in wier zaak het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, heeft op 30 juli 2009 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan zestien maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
13. Gelet op de hoogte van de opgelegde jeugddetentie zal dit niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de strafoplegging en evenmin tot strafvermindering hoeven te leiden, maar kan met de constatering van de verdragschending worden volstaan.
14. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. NLR, aant. 4 op art. 141 Sr Pro, suppl. 138 (mei 2007) waar valt te lezen: "Het leveren van een 'significante of wezenlijke bijdrage' aan de groep is dus essentieel. Er wordt derhalve geen collectieve aansprakelijkheid geintroduceerd. Dit impliceert dat de enkele aanwezigheid van iemand bij geweldpleging onvoldoende is voor zijn veroordeling. 'Je was erbij, dus je bent erbij' is mitsdien niet, ook niet na deze wetswijziging (Wet van 25 april 2000, Stb. 173; PV) tot strafrechtelijke norm verheven. Degene die enkel meeloopt in een groep personen die gewelddadig opdringt in de richting van een rivaliserende groep met de bedoeling om de confrontatie aan te gaan maar vervolgens (a) blijft staan of (b) vlucht bij het zien van een tegenstander, zoals het geval was in HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687, is dus ook onder het nieuwe art. 141 niet Pro strafbaar."