ECLI:NL:PHR:2011:BQ0529

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04461
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 79 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevolgen onregelmatige opzegging van een door Duits recht beheerste arbeidsovereenkomst

Deze zaak betreft de gevolgen van de onregelmatige opzegging door de werkgever van een arbeidsovereenkomst die onder Duits recht valt. De werkgever stelde cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig beëindigde op 30 maart 2006 en de werkgever veroordeelde tot betaling van loon vanaf 31 maart 2003.

Het hof baseerde zich onder meer op een deskundigenrapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) over Duits recht, maar gaf een eigen uitleg aan dat recht. De werkgever klaagde dat het hof zonder voldoende motivering van het rapport was afgeweken en dat het oordeel over de Duitse conversieregeling onjuist was.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden, onder meer omdat toetsing van de juiste inhoud van vreemd recht in cassatie is uitgesloten. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro, zodat het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de werkgever wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.

Conclusie

09/04461
Mr L. Strikwerda
Zt. 1 april 2011
conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft de gevolgen van de onregelmatige opzegging door de werkgever van een door Duits recht beheerste arbeidsovereenkomst. Eiseres tot cassatie, de werkgever, wordt hierna aangeduid als [eiseres], verweerder tot cassatie, de werknemer, als [verweerder].
2. Het tijdig door [eiseres] ingestelde cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 28 juli 2009 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij dit arrest heeft het hof, nadat het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) ingevolge een tussenarrest van 10 april 2007 een deskundigenrapport had uitgebracht omtrent Duits recht, vernietigd het vonnis van de Rechtbank Maastricht, Sector Kanton, Locatie Maastricht, van 10 maart 2004 waarbij [verweerder] in zijn vorderingen tot - kort gezegd - verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden door de opzegging per 31 maart 2003 door [eiseres] en tot veroordeling van [eiseres] tot betaling aan [verweerder] van achterstallig loon c.a., niet ontvankelijk werd verklaard. Het hof heeft, opnieuw recht doende, op de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [verweerder] voor recht verklaard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen door opzegging is geëindigd op 30 maart 2006 en [eiseres] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van al hetgeen hem uit hoofde van de wet en de arbeidsovereenkomst toekomt sedert 31 maart 2003 tot het einde van de arbeidsovereenkomst.
3. Het cassatieberoep van [eiseres] berust op twee middelen. [Verweerder] heeft de middelen bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar cassatieberoep, althans tot verwerping van dat beroep.
4. De door de middelen aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
5. Middel 1 komt op tegen r.o. 12.4 en 12.5 van het bestreden arrest. Volgens het middel is het onbegrijpelijk dat het hof in deze overwegingen zonder uitvoerige motivering is afgeweken van het rapport van het IJI en een eigen uitleg aan het Duitse recht heeft gegeven. Het middel lijkt daarbij vooral het oog te hebben op de overweging van het hof in r.o. 12.4, dat voorbij wordt gegaan aan de opmerkingen van het IJI met betrekking tot de problematiek die verband houdt met de voorwaarden waaronder en de maximale duur waarvoor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen dezelfde werkgever en werknemer kan worden gesloten na een overeenkomst voor onbepaalde tijd.
6. Het middel faalt, enerzijds omdat het feitelijke grondslag mist, anderzijds omdat het niet voldoet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen.
7. Het middel mist feitelijke grondslag voor zover het inhoudt dat onbegrijpelijk is dat het hof van het rapport van het IJI is afgeweken door voorbij te gaan aan de opmerkingen met betrekking tot de problematiek betreffende de voorwaarden waaronder en de maximale duur waarvoor een arbeidsovereenkomst kan worden gesloten na een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Het hof is op dit punt niet van het rapport van het IJI afgeweken. Aan de overweging van het hof ligt ten grondslag dat de opmerkingen van het IJI alleen relevant zijn voor arbeidsovereenkomsten die zijn gesloten na 1 januari 2001 en niet voor arbeidsrelaties als de onderhavige, die vóór genoemde datum zijn ontstaan. Dat is in overeenstemming met hetgeen met zoveel woorden op blz. 10 van het rapport van het IJI wordt opgemerkt.
8. Het middel voldoet niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen voor zover het erover beoogt te klagen dat het hof op andere punten zonder voldoende motivering van het rapport van het IJI is afgeweken, nu onvoldoende duidelijk wordt gemaakt op welke punten hier wordt gedoeld. Ook indien moet worden aangenomen dat het middel het oog heeft op de overweging van het hof dat de conclusie van het IJI, dat de arbeidsovereenkomst ondanks het feit dat de contractuele opzegtermijn van één jaar niet in acht is genomen toch per 30 maart 2003 is geëindigd, onjuist is, kan het middel niet slagen. Het hof heeft in r.o. 12.4, 12.5 en 12.6 uitvoerig gemotiveerd waarom het op dit punt tot een ander oordeel aangaande het Duitse recht is gekomen dan het IJI in zijn rapport. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel nog wil betogen dat het oordeel van het hof onjuist is, faalt het omdat ingevolge art. 79 lid Pro 1, aanhef en onder b, RO in cassatie over onjuiste toepassing van vreemd recht niet kan worden geklaagd.
9. Middel 2 beklaagt zich erover dat het hof ten aanzien van de eventuele mogelijkheid van conversie van de onregelmatige opzegging heeft gedwaald ten aanzien van de inhoud van het Duitse recht.
10. Het middel stuit af op het reeds genoemde art. 79 lid Pro 1, aanhef en onder b, RO. De bepaling sluit uit dat het oordeel van het hof met betrekking tot de inhoud van het Duitse recht in cassatie op juistheid wordt getoetst.
11. Voor zover het middel subsidiair klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het in strijd is met de Duitse conversieregeling is, kan het evenmin doel treffen. Hoewel gepresenteerd als motiveringsklacht, vraagt de klacht de Hoge Raad het oordeel van het hof met betrekking tot de Duitse conversieregeling op juistheid te onderzoeken. Art. 79 lid Pro 1, aanhef en onder b, RO staat daaraan in de weg.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,