ECLI:NL:PHR:2011:BQ0540
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperkingen en grenzen van de verwijzingsprocedure na cassatie in belastingzaken
Deze zaak betreft een cassatieprocedure over de proceskostenvergoeding in een belastinggeschil over de BPM-heffing bij invoer van een auto uit België. Belanghebbende had in eerste aanleg en hoger beroep verzocht om vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase. Het Hof 's-Hertogenbosch wees dit verzoek af en kende een forfaitaire vergoeding toe volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Belanghebbende stelde in het eerste cassatieberoep alleen de BPM-berekening aan de orde, niet de kostenvergoeding. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof 's-Hertogenbosch vanwege een onjuiste waarderingsmaatstaf en verwees de zaak naar Hof Arnhem.
In de procedure na verwijzing bij Hof Arnhem werd het verzoek om vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten in de bezwaarfase alsnog gehonoreerd, wat de Staatssecretaris aanvocht in dit tweede cassatieberoep. De kern van het geschil is of het verwijzingshof bevoegd was om over dit kostenverzoek te oordelen, terwijl dit niet in het eerste cassatieberoep was bestreden en daarmee onherroepelijk vaststond.
De Hoge Raad benadrukt dat de verwijzingsrechter gebonden is aan de in cassatie niet bestreden beslissingen en de verwijzingsopdracht. Nieuwe beoordeling van onbestreden punten leidt tot overschrijding van de verwijzingsopdracht en is in principe niet toegestaan. Uitzonderingen zijn slechts mogelijk bij nieuwe feiten, gewijzigde rechtspraak of wetgeving die partijen niet eerder konden aanvoeren. In deze zaak was geen sprake van dergelijke uitzonderingen. Daarom oordeelt de Hoge Raad dat Hof Arnhem buiten zijn taak trad door alsnog een vergoeding toe te kennen voor de bezwaarfasekosten. Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en vernietigt het oordeel van het verwijzingshof over de vergoeding van werkelijke kosten in de bezwaarfase wegens overschrijding van de verwijzingsopdracht.