ECLI:NL:PHR:2011:BQ0593
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen hoofdelijke aansprakelijkheid voor verbintenis tot niet-rooien van bomen
In deze zaak gaat het om de vraag of een verbintenis tot een niet-doen, namelijk het niet verwijderen van bomen zonder toestemming, kan worden aangemerkt als een hoofdelijke verbintenis in de zin van artikel 6:6 BW Pro. De eisers vorderen schadevergoeding van verweerder wegens het rooien van bomen zonder hun toestemming. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een hoofdelijke verbintenis en veroordeelde verweerder tot betaling van schadevergoeding.
Het hof bekrachtigde het vonnis, maar verhoogde de schadevergoeding tot het volledige bedrag. Verweerder stelde incidenteel cassatieberoep in en voerde aan dat de verbintenis tot niet-rooien geen hoofdelijke verbintenis is, omdat het niet-doen van de ene schuldenaar een andere prestatie is dan die van de andere schuldenaar.
De Hoge Raad bevestigt dat een verbintenis tot een niet-doen geen hoofdelijke verbintenis is, omdat nakoming door de ene schuldenaar niet bevrijdt van de verplichting voor de andere schuldenaren. Desondanks oordeelt de Hoge Raad dat verweerder aansprakelijk blijft wegens gezamenlijke verantwoordelijkheid. De cassatieberoepen worden verworpen, waarbij ook de vaststelling van de schade door het hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen en bevestigde de aansprakelijkheid van verweerder voor de schade door het rooien van bomen zonder toestemming, zonder dat sprake is van een hoofdelijke verbintenis.