ECLI:NL:PHR:2011:BQ0709
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-goedertrouw ontstane schuld aan UWV
Verzoekster tot cassatie werd toegelaten tot een schuldsaneringsregeling nadat zij een verzoek had ingediend. Later bleek dat zij in de periode na het verzoek maar vóór de toelating onterecht werkloosheidsuitkeringen had ontvangen zonder dit te melden, waardoor een schuld aan het UWV ontstond.
De rechtbank beëindigde de regeling tussentijds op grond van artikel 350 lid 3 sub f Faillissementswet Pro, omdat de schuld reeds bestond ten tijde van de toelating, ook al was het formele terugvorderingsbesluit van het UWV pas later genomen. Het hof bevestigde dit oordeel en verwierp het verweer dat alleen feiten bij het indienen van het verzoek relevant zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de wettelijke bepaling ziet op feiten en omstandigheden die bij de beslissing tot toelating bestonden, niet alleen bij het indienen van het verzoek. Ook het materiële recht op terugbetaling ontstond al bij het moment van onterecht ontvangen uitkeringen, los van het formele besluit. De tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling was daarmee terecht.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de schuldsaneringsregeling zich ook uitstrekt tot de vordering van het UWV, die als een vordering uit onverschuldigde betaling geldt. Het formele terugvorderingsbesluit maakt de vordering slechts opeisbaar, maar doet het bestaan ervan niet ontstaan.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 350 lid 3 sub f Faillissementswet Pro en bevestigt dat schuldsaneringsregelingen kunnen worden beëindigd als blijkt dat bij toelating al feiten bestonden die een afwijzing zouden rechtvaardigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt bevestigd.