ECLI:NL:PHR:2011:BQ0786

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03287
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 449 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in hoger beroep wegens onjuiste akte

Het Gerechtshof te Arnhem heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 september 2009, omdat geen juiste akte hoger beroep in het dossier aanwezig was. De officier van justitie had weliswaar de intentie het hoger beroep tegen het eindvonnis in te stellen, maar de ingediende akte betrof slechts het beroep tegen een afwijzing van een vordering, met een onjuist appelnummer.

De Hoge Raad benadrukt dat de naleving van vormvoorschriften bij het instellen van rechtsmiddelen strikt moet worden nageleefd, vooral door het Openbaar Ministerie. Omdat de fout door het OM is gemaakt en niet binnen de beroepstermijn is hersteld, is het OM niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft dit oordeel terecht en begrijpelijk gemotiveerd, ondanks dat niet is onderzocht wie het appelnummer heeft gewijzigd.

Het cassatiemiddel dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn, wordt verworpen. De Hoge Raad ziet geen reden om ambtshalve te vernietigen en verwerpt het beroep van het OM. Hiermee blijft de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep gehandhaafd.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens het ontbreken van een juiste akte hoger beroep.

Conclusie

Nr. 10/03287
Mr. Hofstee
Zitting: 22 maart 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 21 juli 2010 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van 15 september 2009 van de Rechtbank Zwolle-Lelystad.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/03287 en 10/03375. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Mr. L. Plas, plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het ressortsparket te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
4. Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat zich geen ondertekende akte hoger beroep in het dossier bevindt, dan wel omdat een onjuiste akte is opgemaakt, niet zonder meer begrijpelijk is.
5. Het Hof heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:
"De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in hoger beroep
In het dossier bevindt zich een akte rechtsmiddel d.d. 15 september 2009, waarin mr. W. Ludwig, officier van justitie in het arrondissement Zwolle-Lelystad, verklaart beroep in te stellen tegen de beslissing betreffende verdachte omtrent een afwijzing vordering d.d. 15 september 2009 gewezen door de Meervoudige Strafraadkamer. Ook is vermeld op de akte rechtsmiddel het appelnummer 09/1076. Dit nummer is doorgehaald en daarbij is met pen geschreven het nummer 1229.
Het hof stelt vast dat zich in het dossier geen ondertekende akte bevindt waarbij door het openbaar ministerie hoger beroep is ingesteld tegen het in de zaak tegen verdachte gewezen (eind-)vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 15 september 2009. Uit het onderzoek ter terechtzitting is wel komen vast te staan dat de officier van justitie voornemens is geweest het hoger beroep te richten op het eindvonnis, zodat vaststaat dat een onjuiste akte is opgemaakt. Naar het oordeel van het hof dient de omstandigheid dat een onjuiste akte is opgemaakt echter voor rekening te komen van het openbaar ministerie. Nu de onjuiste akte door de officier van jusititie is ondertekend en de resterende beroepstermijn niet is gebruikt om deze fout te herstellen dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard te worden in het hoger beroep."
6. Alvorens het middel te bespreken, wil ik het volgende opmerken. Aan de juiste naleving van vormvoorschriften wordt door de Hoge Raad zwaar getild. Zo ook met betrekking tot het instellen van een rechtsmiddel. Verzuim van inachtneming van de desbetreffende van toepassing zijnde wettelijke voorschriften, leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van de appellant in het ingediende rechtsmiddel.(1) Dat geldt meer in het bijzonder voor het Openbaar Ministerie. Wil de Hoge Raad in het geval van zo een vormverzuim de verdachte in sommige gevallen door conversie nog wel eens ruimhartig tegemoetkomen, van het Openbaar Ministerie wordt verwacht dat het die vormvoorschriften strikt naleeft. In de woorden van Van Dorst accepteert de Hoge Raad "geen verontschuldiging (...) bij verzuimen aan de zijde van het OM".(2) De verklaring voor dit standpunt van de Hoge Raad is hierin gelegen, dat de kennis en de kundigheid van het Openbaar Ministerie over de naleving van de toepasselijke vormvoorschriften hoger worden aangeslagen dan die van de verdediging.(3)
7. Het Hof heeft terecht vastgesteld dat de door de officier van justitie ondertekende akte rechtsmiddel van 15 september 2009, waarop het appelnummer 1076 is doorgestreept en daarnaast met de hand het nummer 1229 is geschreven, zich enkel richt tegen de afwijzing vordering van de meervoudige strafraadkamer van die Rechtbank d.d. 15 september 2009. En inderdaad bevindt zich in het dossier, zoals het Hof heeft geconstateerd, niet een (door de officier van justitie ondertekende) akte hoger beroep tegen het door de Rechtbank gewezen eindvonnis, hetgeen naar later bleek wel de bedoeling van het Openbaar Ministerie was. Deze fout had de officier van justitie nog tijdig, want in de beroepstermijn kunnen - en naar mijn oordeel moeten - constateren en herstellen. Van deze mogelijkheid heeft de officier van justitie echter klaarblijkelijk geen gebruik gemaakt. Daaruit vloeit naar mijn mening voort dat het oordeel van het Hof dat die fout voor rekening van het Openbaar Ministerie komt en dat het Openbaar Ministerie derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en evenmin onbegrijpelijk is.(4) Daaraan doet niet af dat het Hof niet heeft onderzocht op welk moment en door wie het appelnummer is doorgehaald en met pen een ander appelnummer is bijgeschreven.
8. Het middel faalt.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Melai-Groenhuijsen e.a., Het Wetboek van Strafvordering, aant. 6 op art. 449 (bewerkt door mr H.K. Elzinga & prof. mr J. de Hullu; bij t/m 1 oktober 2006).
2 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e druk, 2009, p.118. Zo ook Melai-Groenhuijsen e.a., a.w. aant. 6 op art. 449.
3 Van Dorst, a.w., p. 119.
4 Vgl. HR 22 juni 2010, LJN BL2831.