Nr. 10/04305
Mr. Vellinga
Zitting: 22 maart 2011
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 maanden. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van de door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, alsmede dat het Hof de bewezenverklaring heeft gegrond op feiten en omstandigheden die niet zijn terug te vinden in de bewijsmiddelen, terwijl het Hof heeft verzuimd de wettige bewijsmiddelen aan te geven waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend.
4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 24 juni 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 15984,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne."
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Een proces-verbaal met nummer PL27RR/09-045205 van 24 juni 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (dossierparagraaf 1.2).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Op 24 juni 2009 waren wij belast met de controle van passagiers van de binnenkomende vlucht MP623 uit Punta Cana. Een passagier was genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats]. Ik zag aan de hand van de boeking en een instapkaart dat [verdachte] een doorvlucht had met vlucht KL1859 naar Düsseldorf. Ik vroeg aan [verdachte] of hij ruimbagage op zijn naam had ingecheckt waarop hij zei: 'Ik heb alleen handbagage'. Uit de vluchtgegevens van KLM bleek dat op naam van [verdachte] één koffer van 23 kilo voor vlucht KL1859 was ingecheckt. Ik heb contact gezocht met het bagage service center van de KLM en personeel daar verzocht om de desbetreffende koffer op naam van [verdachte] te traceren. Daarop werd een koffer afgeleverd. Ik zag dat aan voornoemde koffer een bagagelabel was bevestigd op naam van [verdachte], met pnr. [...].
2. Een proces-verbaal met nummer PL27RR/09-045205 van 4 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling en bevindingen van verbalisant:
Bij dit proces-verbaal wordt de passagierslijst voor de vlucht van Martinair, MP 623, d.d. 23 juni 2009 voor de route PUJ-AMS-PUJ-DUS als bijlage gevoegd. In deze passagierslijst zijn de volgende gegevens betreffende [verdachte] af te lezen:
- Final destination DUS
- Aantal koffers 1
- Gewicht 23
- Security nr [001]
- Inchecktijd 17:59 uur
In het dossier is onder paginanummer 2.5 een fotokopie gevoegd van het bagagelabel. Ook hierop staat het gewicht van de bagage vermeld, te weten: 1/23.
3. Een schriftelijk bescheid, zijnde een kopie van een bagagelabel op naam van [verdachte] (dossierparagraaf 2.5).
Dit bagagelabel vermeldt: '1/23, 23 jun, PUJ', 'DUSSELDORF DUS, KL 1859, 24 jun' en 'AMS, MP623 23 jun'.
4. Een schriftelijk bescheid, zijnde een kopie van een e-ticket op naar van [verdachte] voor vlucht MP623 op 23 juni 2009 (dossierparagraaf 2.3).
Dit e-ticket vermeldt: 'booking ref: [...]'.
5. Een schriftelijk bescheid, zijnde een kopie van een instapkaart op naam van [verdachte] voor vlucht MP623 (dossierparagraaf 2.3.).
Deze instapkaart vermeldt nummer [001].
6. Een proces-verbaal met nummer PL27RR/09-045205 van 24 juni 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (dossierparagraaf 2.5).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Aan de rolkoffer (het hof begrijpt: de ruimbagage) zagen wij een bagagelabel. Op het bagagelabel zagen wij het volgende gedrukt:
- PNR: [...]
- NME: [verdachte]
- DUS: KL 1859 24 jun
- AMS: MP623 23 jun
Deze koffer is door ons bruto gewogen en wij zagen een gewicht van 24,3 kilo. Vervolgens hebben wij de rolkoffer geopend en zagen wij twee rugzakken. Vervolgens zagen wij in beide rugzakken 8 zogenoemde kilopakketten. Wij hebben de 16 kilopakketten uit de rugzakken genomen en de letters A t/m P gegeven. Bij het verwijderen van de verpakkingslaag van alle aangetroffen pakketten zaken wij een witte stof die geleek op cocaïne. Het nettogewicht van de aangetroffen stof bedroeg totaal ongeveer 15984,2 gram. Vervolgens nam ik, [verbalisant 5], 16 representatieve monsters van de aangetroffen stof, bestemd om ter analyse te worden overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam.
7. Een verslag, kenmerk 7263 X 09, van het Douane Laboratorium Amsterdam van 3 juli 2009, opgemaakt door mw. drs. M.M. Sarneel, op de door haar als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte.
Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Rapport in de zaak contra verdachte [verdachte] verdacht van overtreding van de Opiumwet, uw kenmerk PL27RR/09-045205.
Op 29 juni 2009 ontving ik van het district Koninklijke Marechaussee Luchtvaart Schiphol, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6].
09-045205 A) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 B) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 C) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 D) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 E) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 F) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 G) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 H) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 I) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 J) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 K) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 L) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 M)1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 N) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 O) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
09-045205 P) 1 verzegeld plastic zakje met wit, korrelig materiaal
Het materiaal werd onderzocht met behulp van microchemische reacties en gaschromatografie met massaselectieve detectie. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal ad 09-04205 A t/m P cocaïne bevatte.
Voor zover tot het bewijs een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5º van het Wetboek van Strafvordering is gebezigd, heeft dit voor het bewijs alleen gelding in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen."
6. Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:
"Nadere bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte geen ruimbagage heeft ingecheckt en dus ook niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de koffer met daarin de rugtassen bevattende pakketten cocaïne. Daarnaast heeft de verdachte consistent verklaard over zijn reisverhaal, zoals dat onder meer blijkt uit zijn verklaring tegenover de politie, zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg en zijn verklaring in hoger beroep. Derhalve, alsdus de raadsvrouw, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte opzettelijk cocaïne binnen Nederland heeft gebracht.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op 24 juni 2009 komt de verdachte met vlucht MP623 vanuit Punta Cana, Dominicaanse Republiek, aan op Schiphol. Bij controle op Schiphol blijkt dat de verdachte een doorvlucht heeft met vlucht KL1859 naar Düsseldorf. De verdachte geeft aan geen ruimbagage te hebben ingecheckt en beschikt niet over een claimtag. Blijkens de passagierslijst/instaplijst voor de vlucht MP623 is er op naam van de verdachte op het vliegveld Punta Cana als ruimbagage één bagagestuk met een gewicht van (naar het hof aanneemt gelet op de wijze van wegen bij het inchecken: ongeveer) 23 kilogram ingecheckt met als eindbestemming Düsseldorf. Het bagagelabel aan de bewuste koffer vermeldt 1/23 en deze koffer is meegekomen met de vlucht MP623 vanuit Punta Cana naar Amsterdam, waar de verdachte mee reisde. Op het bagagelabel is het PNR-nummer [...] vermeldt, hetgeen overeenkomt met het PNR-nummer op het e-ticket van de verdachte. Bovendien correspondeert het securitynummer van verdachte op de passagierslijst met het nummer op zijn instapkaart. Het inchecken heeft plaatsgevonden om 17:59 uur, hetgeen niet onverenigbaar is met de verklaring van de verdachte dat hij om 17:45 uur naar het vliegveld is gegaan. In de koffer bevinden zich, naar later blijkt, 16 pakketten met cocaïne met een totaal nettogewicht van bijna 16 kilo. Het gewicht van de koffer met inhoud wordt op Schiphol bepaald op 24,3 kilo.
Het hof gaat in beginsel uit van de juistheid van de gegevens op de passagierslijst en het bagagelabel. Het hof gaat er dan ook van uit dat aan de verdachte een bij de koffer behorende claimtag is afgegeven. De gegevens daarvan bieden de eigenaar van de koffer de mogelijkheid zijn bagage te claimen. Die gegevens kunnen, als dan niet via tussenpersonen, ook worden doorgegeven aan handlangers in het land van aankomst zodat de koffer met cocaïne kan worden onderschept. Naar het hof uit ervaring heeft vastgesteld betreft het in de meeste gevallen transitbagage waarbij er in de bagagekelder van Schiphol meer mogelijkheden bestaan deze te onderscheppen. Degene die de koffer heeft ingecheckt, zal zich in dit scenario van de claimtag ontdoen, omdat hij niet met de koffer in verband wil worden gebracht. Dat verband ligt er echter via de gegevens op het bagagelabel, de passagierslijst, het ticket en de instapkaart van de verdachte. Naar het oordeel van het hof staat hiermee in beginsel voldoende vast dat de verdachte een koffer van ongeveer 23 kilo heeft ingecheckt en zich van het bijbehorende claimtag heeft ontdaan. Onder die omstandigheden heeft de verdachte wetenschap gehad van het feit dat in een op zijn naam staande koffer cocaïne in Nederland werd ingevoerd. Daarbij kan in het middel blijven of de cocaïne voor of na het inchecken in de koffer is gedaan.
Het hof heeft vervolgens bezien of in hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht aanleiding moet worden gevonden om tot een andere conclusie te komen. Het hof heeft daartoe acht geslagen op het reisverhaal van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij op vakantie is geweest in de Dominicaanse Republiek. De verdachte heeft echter bij de reclassering en de DWI -die zijn uitkering en spaargeld beheerde- verklaard dat hij in juni naar Trinidad en Tobago zou reizen om daar het huwelijk van zijn dochter bij te wonen. Zo staat het ook vermeld op de uitkeringsgegevens -bij de datum 5 juni 2009- die door de raadsvrouw zijn overgelegd ter voeging in het dossier. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte, hiermee geconfronteerd, verklaard dat de DWI en de reclassering hem verkeerd hebben begrepen omdat dat huwelijk pas februari 2010 zou plaatsvinden. Het hof vindt dat niet geloofwaardig -ook zijn raadsvrouw merkte op die datum in 2010 niet eerder te hebben gehoord- en concludeert hieruit dat de verdachte zijn bestemming kennelijk heeft willen verhullen. Het hof heeft de verdachte gevraagd waarom hij zijn retourticket Amsterdam-Punta Cana voor de terugreis heeft uitgebreid met een enkele reis Amsterdam-Düsseldorf. De enige verklaring van de verdachte is dat hij daar nog enkele dagen op vakantie wilde gaan, omdat Hamburg hem ook goed was bevallen. De verdachte had echter nog geen accommodatie geboekt in Düsseldorf en kon, ook nadat hem hierover zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep vragen zijn gesteld, niet vertellen wat hij daar zou gaan doen. Het hof heeft ook acht geslagen op de beperkte financiële middelen van de verdachte. Na de geldopname van 5 juni was zijn spaargeld immers geheel verdwenen.
Gelet op bovenstaande elementen in het reisverhaal van de verdachte komt het hof tot de conclusie dat de verdachte zijn bestemming Dominicaanse Republiek heeft willen verhullen en dat de doorvlucht naar Düsseldorf enkel diende om zijn koffer de status van transitbagage te geven. Derhalve ziet het hof geen reden zijn conclusie dat de verdachte wetenschap had van de cocaïne in de op zijn naam ingecheckte koffer, aan te passen.
Het verweer wordt verworpen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte bijna 16 kilo cocaïne opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht."
7. In de toelichting op het middel wordt geklaagd over het oordeel van het Hof dat de verdachte in de omstandigheden van het onderhavige geval moet hebben geweten van de aanwezigheid van cocaïne in zijn ruimbagage.
8. Het Hof komt - kort gezegd - op grond van de gebruikelijke praktijk bij de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol - zorgen dat de cocaïne in transitbagage zit, zorgen dat de luchtreiziger wiens ruimbagage de cocaïne bevat zijn claimtag, die verwijst naar de ruimbagage, wegdoet - tot de conclusie dat de verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de inhoud van de koffer die als zijn ruimbagage is vervoerd. Dat oordeel is ander dan het middel wil gelet op de door het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aan de algemene ervaring ontleende praktijk gepaard aan het niet in verdachtes bezit zijn van een claimtag en de omstandigheid dat de onderhavige tot de ruimbagage behorende koffer transitbagage vormde niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
9. Vervolgens onderzoekt het Hof naar aanleiding van een ter zake gevoerd verweer of verdachtes reisverhaal tot een andere conclusie moet leiden, met andere woorden of de verdachte de schijn tegen heeft. Dit reisverhaal bestaat naar de kern genomen hierin dat verdachtes reis een normale vakantiereis was waar hij nog een reisje naar Düsseldorf aan heeft vastgeknoopt en strekt ten betoge dat verdachtes reis niet (mede) inhield het vervoer van cocaïne naar Nederland.
10. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging bij de motivering van de verwerping van dit verweer heeft verzuimd het wettig bewijsmiddel aan te geven waaraan voor de bewezenverklaring redengevende feiten of omstandigheden zijn ontleend.
11. In zijn arrest van 16 maart 2010, LJN BK3359, NJ 2010, 314, m.nt. Y. Buruma, rov. 2.5. overwoog de Hoge Raad:
"Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.
Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft."
12. De op de verwerping van het beroep op - kort gezegd - de vakantiereis betrekking hebbende overwegingen betreffen niet het ter zijde stellen van een alternatieve lezing in vorenbedoelde zin en de daarin vermelde feiten behoeven dus niet te steunen op wettige bewijsmiddelen. Ook al zou het om een normale vakantiereis gaan, ook naar Düsseldorf, dan sluit dit immers de door het Hof beschreven gebruikelijke gang van zaken bij cocaïne-invoer bepaald niet uit.
13. Voor zover hetgeen door en namens de verdachte over zijn reis heeft aangevoerd wel een alternatieve gang van zaken zou zijn in bovenvermelde zin, meen ik dat het Hof, zoals het heeft gedaan, in de omstandigheden van het onderhavige geval aanleiding heeft kunnen zien deze alternatieve gang van zaken op grond van ongeloofwaardigheid te verwerpen en zich daarbij niet heeft behoeven te baseren op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Het gaat hier immers om een gang van zaken waarvoor - zoals blijkt uit hetgeen het Hof te dien aanzien heeft overwogen - door het onverklaard ontbreken van de claimtag bij verdachte bitter weinig concreet houvast is te vinden.
14. Het voorgaande brengt mee dat het Hof de verklaring van verdachtes raadsman(1), voor zover inhoudende dat hij de datum in 2010 niet eerder had gehoord, alleen in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van verdachtes verhaal over zijn reis. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld heeft het Hof bedoelde opmerking van verdachtes raadsman dus niet gebezigd als bewijsmiddel. Het Hof heeft die opmerking slechts zijdelings aangehaald om erop te wijzen dat de door het Hof aangenomen ongeloofwaardigheid van verdachtes reisverhaal strookt met hetgeen diens raadsman ter terechtzitting heeft opgemerkt over hetgeen de verdachte hem te dien aanzien had verteld. Kennelijk gaat het hier dus niet om een overweging waarop het oordeel van het Hof over de (on)geloofwaardigheid van verdachtes reisverhaal steunt.
15. Ten slotte wordt nog geklaagd dat het Hof nader had moeten motiveren waarom het van oordeel is dat het verhullen van een reis naar de Dominicaanse Republiek de bewezenverklaring ondersteunt. Nog daargelaten dat hetgeen het Hof te dier zake heeft overwogen de bewezenverklaring niet ondersteunt - ik wijs op hetgeen ik hiervoor onder 12 en 13 heb uiteengezet - berust deze klacht op onjuiste lezing van het arrest van het Hof. In het licht van hetgeen het Hof in zijn nadere bewijsoverweging over de reis naar de Dominicaanse Republiek overweegt heeft het Hof hier het oog op het doel van verdachtes reis naar de Dominicaanse Republiek, te weten naar verdachtes zeggen het bijwonen van het huwelijk van zijn dochter, niet op de reis naar de Dominicaanse Republiek.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Het Hof spreekt in zijn nadere bewijsoverweging per abuis van raadsvrouw.