ECLI:NL:PHR:2011:BQ1128
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid en bevoegdheid verzoek tot intrekking voorlopige surseance en faillietverklaring Agrenco
Agrenco Netherlands N.V. kreeg op 24 augustus 2010 voorlopige surseance van betaling verleend. Credit Suisse c.s. verzochten op 15 november 2010 de intrekking van deze surseance onder gelijktijdige faillietverklaring van Agrenco. De rechtbank Amsterdam wees dit verzoek toe op 26 november 2010, waarna Agrenco in cassatie ging tegen het arrest van het hof dat dit vonnis bekrachtigde.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 242 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) zowel concurrente als bevoorrechte schuldeisers bevoegd zijn om een verzoek tot intrekking van surseance en faillietverklaring in te dienen. Agrenco voerde aan dat Credit Suisse c.s. niet ontvankelijk waren omdat zij alle zekerheden hadden ontvangen, maar dit werd verworpen. Ook het beroep op misbruik van recht en het ontbreken van redelijk belang faalde omdat daarvoor bijzondere omstandigheden nodig zijn die hier niet aanwezig waren.
Verder werd het beroep van Agrenco op niet-ontvankelijkheid in het licht van een Braziliaans herstructureringsplan, waarbij Credit Suisse c.s. partij waren, niet gehonoreerd. De Hoge Raad vond dat dit plan geen belemmering vormde voor het faillissementsverzoek. Ten slotte oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht had geoordeeld dat de surseance moest worden omgezet in faillissement omdat de stand van de boedel en het vooruitzicht op voldoening van schuldeisers onvoldoende waren.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep van Agrenco.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Agrenco wordt verworpen; het verzoek tot intrekking van de surseance en faillietverklaring is ontvankelijk en gegrond.