ECLI:NL:PHR:2011:BQ1685
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Schuldeiser niet-ontvankelijk in verzet wegens verjaring vordering uit onrechtmatige daad
In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een schuldeiser in verzet tegen een rekening en verantwoording en een plan van verdeling in een liquidatieprocedure. Verzoeker stelde een vordering uit onrechtmatige daad te hebben op de verweerster in liquidatie, maar deze vordering zou verjaard zijn omdat niet tijdig een stuitingshandeling was verricht.
Het hof Arnhem had de niet-ontvankelijkheid van verzoeker in verzet bevestigd omdat hij niet als schuldeiser kon worden aangemerkt vanwege verjaring van zijn vordering over de periode van november 1999 tot mei 2000. Verzoeker voerde onder meer aan dat het hof een onjuiste referteperiode had gehanteerd en dat hij ook als zaakwaarnemer voor anderen had gehandeld.
De Hoge Raad verwierp deze klachten. Het arrest van het hof Arnhem uit 2007 had gezag van gewijsde en kon niet meer worden aangevochten. De stellingen over zaakwaarnemerschap faalden wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De Hoge Raad concludeerde dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzet en verwierp het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in verzet wegens verjaring van de vordering uit onrechtmatige daad.