ECLI:NL:PHR:2011:BQ1685

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05072
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:23b lid 5 BWArt. 3:316 lid 2 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schuldeiser niet-ontvankelijk in verzet wegens verjaring vordering uit onrechtmatige daad

In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een schuldeiser in verzet tegen een rekening en verantwoording en een plan van verdeling in een liquidatieprocedure. Verzoeker stelde een vordering uit onrechtmatige daad te hebben op de verweerster in liquidatie, maar deze vordering zou verjaard zijn omdat niet tijdig een stuitingshandeling was verricht.

Het hof Arnhem had de niet-ontvankelijkheid van verzoeker in verzet bevestigd omdat hij niet als schuldeiser kon worden aangemerkt vanwege verjaring van zijn vordering over de periode van november 1999 tot mei 2000. Verzoeker voerde onder meer aan dat het hof een onjuiste referteperiode had gehanteerd en dat hij ook als zaakwaarnemer voor anderen had gehandeld.

De Hoge Raad verwierp deze klachten. Het arrest van het hof Arnhem uit 2007 had gezag van gewijsde en kon niet meer worden aangevochten. De stellingen over zaakwaarnemerschap faalden wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De Hoge Raad concludeerde dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzet en verwierp het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in verzet wegens verjaring van de vordering uit onrechtmatige daad.

Conclusie

10/05072
Mr. L. Timmerman
Parket 6 april 2011
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie,
Tegen
[Verweerster] in liquidatie
verweerster in cassatie,
Verkorte conclusie
1. Via een tijdig ingediend verzoekschrift is [verzoeker] in cassatie gekomen van de beschikking van het hof Arnhem van 23 augustus 2010.(1) Het hof heeft in die beschikking de beschikking van de rechtbank van 17 maart 2010 bekrachtigd, waarin [verzoeker] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzet als bedoeld in art. 2:23b lid 5 BW tegen de rekening en verantwoording en het plan van verdeling met betrekking tot [verweerster]. Het hof heeft daartoe geoordeeld dat [verzoeker] niet als schuldeiser van [verweerster] kan worden aangemerkt, omdat hij de vordering uit onrechtmatige daad die hij op [verweerster] pretendeert (voor de periode 6 november 1999 tot en met 31 mei 2000) niet tijdig heeft gestuit, zodat de vordering is verjaard.(2) Tegen dat oordeel richten zich de klachten van het cassatiemiddel.
2. De onderdelen 5.1-5.7 hebben betrekking op het oordeel van het hof over verjaring. In de onderdelen 5.8-5.10 en 6-8 wordt betoogd dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van [verzoeker] dat hij niet alleen voor zichzelf maar ook als zaakwaarnemer voor anderen is opgetreden.
3. De klachten van onderdelen 5.1-5.7 komen erop neer dat in het arrest van het hof Arnhem van 16 oktober 2007 een onjuiste referteperiode is gehanteerd (5.3), waardoor de vordering van [verzoeker] niet is verjaard, omdat die in 2007 nooit inhoudelijk door het hof is beoordeeld (5.4 en 5.5).
4. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De klacht van onderdeel 5.3 is gericht tegen een onherroepelijke rechterlijke uitspraak die tussen partijen gezag van gewijsde heeft. Klachten tegen dat oordeel kunnen in deze procedure niet meer worden aangevoerd. Mij is de strekking van de klachten van onderdelen 5.4 en 5.5 niet duidelijk geworden. Voor zover zij voortbouwen op de klacht van onderdeel 5.3 delen zij het lot daarvan. Voor zover zij verdedigen dat de situatie van art. 3:316 lid 2 BW Pro zich hier niet voordoet falen zij wegens gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 3.6 heeft geoordeeld dat [verzoeker] binnen vijf jaar vanaf het moment dat hij stelt dat de verjaringstermijn is gaan lopen geen stuitingshandeling heeft verricht. Tegen dat oordeel richten de klachten zich niet. Voor zover zij als uitgangspunt nemen dat van verjaring geen sprake is falen zij. De overige onderdelen bevatten geen zelfstandige klachten.
5. De klachten van onderdelen 5.8-5-10 en 6-8 hebben betrekking op het indienen van het verzoekschrift tegen de beschikking van de rechtbank door [verzoeker] als zaakwaarnemer. Het hof heeft zich daarover niet uitgelaten en [verzoeker] ook niet als zaakwaarnemer erkend, zo luiden de klachten.
6. De klachten kunnen wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarbij [verzoeker] niet-ontvankelijk is verklaard. De bekrachtiging van het oordeel van de rechtbank kan niet anders worden begrepen dan dat het hof [verzoeker] ook niet-ontvankelijk verklaart voor zover hij het verzoekschrift tegen de beschikking als zaakwaarnemer heeft ingediend.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij deHoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is op 23 november 2010 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. In onderdeel 9 van het verzoekschrift is in verband met het nog niet beschikken van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep een voorbehoud gemaakt voor het indienen van een aanvullend cassatieverzoekschrift. Binnen de daarvoor geldende termijn is geen aanvullend verzoekschrift ontvangen.
2 Voor een ander deel van de vordering uit onrechtmatige daad is in eerste aanleg geoordeeld dat die bij onherroepelijk geworden arrest van het hof Arnhem is afgewezen, zie rov. 3.2 van de bestreden beschikking.