ECLI:NL:PHR:2011:BQ1696
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt Nederlands recht op huwelijksgoederenregime en afwijzing erkenning Turkse onderhoudsverplichting
De zaak betreft een internationale echtscheiding tussen een Turkse man en een Noorse vrouw die in Nederland hun eerste huwelijksdomicilie vestigden. De vrouw verzocht om echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder de verdeling van de huwelijksgemeenschap en een onderhoudsbijdrage van de man.
De rechtbank Maastricht oordeelde dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime, conform de Chelouche/Van Leer conflictregel, en kende de vrouw een alimentatie toe. Het hof bekrachtigde dit oordeel. De man stelde in cassatie dat het hof ten onrechte geen beroep op de onaanvaardbaarheidsexceptie had aangenomen en dat partijen zich steeds hadden gedragen alsof Turks recht van toepassing was.
De Hoge Raad oordeelde dat een beroep op de onaanvaardbaarheidsexceptie niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan en dat het hof terecht het Nederlandse recht toepaste. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht de Turkse onderhoudsverplichting jegens de moeder van de man niet volledig erkende, omdat het Haags Alimentatie-Executieverdrag erkenning kan weigeren bij bedrog in de procedure. Het hof hield rekening met een redelijke bijdrage van €500 per maand. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat Nederlands recht geldt voor het huwelijksgoederenregime en dat de Turkse onderhoudsverplichting jegens de moeder van de man niet volledig wordt erkend.