ECLI:NL:PHR:2011:BQ1941

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01869
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 279 SvArt. 310 SvArt. 315 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens onjuiste afwijzing getuigenverzoek in hoger beroep op grond van noodzaakcriterium

De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand wegens medeplegen van opzettelijke handelingen in strijd met de Opiumwet. In hoger beroep werd door de verdediging een verzoek ingediend om meerdere getuigen te horen, waaronder een informant die mogelijk als infiltrant had opgetreden. Het hof wees dit verzoek af omdat het grievenformulier niet de vereiste verklaring bevatte dat de raadsman daartoe bepaaldelijk was gemachtigd, en stelde dat het noodzaakcriterium niet was voldaan.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit oordeel baseerde op een onjuiste grondslag. Het gebruikte formulier is een standaardformulier van de griffie dat door een justitiële autoriteit wordt aangeboden en mag worden vertrouwd dat het voldoet aan de wettelijke vereisten. Bovendien had het hof de raadsman de gelegenheid moeten geven om zijn machtiging te verduidelijken tijdens de zitting. Het hof heeft daardoor het getuigenverzoek onterecht afgewezen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof te 's-Gravenhage voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep, waarbij het getuigenverzoek opnieuw moet worden gewogen. Tevens is vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, hetgeen bij de strafoplegging kan worden betrokken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling waarbij het getuigenverzoek opnieuw wordt beoordeeld.

Conclusie

Nr. 09/01869
Mr. Aben
Zitting 29 maart 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 4 mei 2009 de verdachte ter zake van "De voortgezette handeling van: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand.
2. Namens de verdachte heeft mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden.
3.2. Het middel is terecht voorgesteld. Verdachte heeft op 6 mei 2009 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 16 februari 2010 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, waardoor de inzendtermijn van acht maanden met een maand en tien dagen is overschreden. Hieronder zal blijken dat het tweede middel naar mijn inzicht zal moeten slagen. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen zal deze termijnoverschrijding in acht kunnen nemen bij de strafoplegging, zo het daarvan komt.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof het verzoek tot het horen van vooraf opgegeven getuigen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:
"(...)
De raadsman deelt voorts mede te persisteren bij het in de appelschriftuur opgenomen verzoek om de chef van de R.C.I.E., [betrokkene 1], de in diens proces-verbaal van 17 april 2008 genoemde [getuige 1] en [getuige 2], alsmede [getuige 3] als getuigen ter terechtzitting te horen en de behandeling van de zaak daartoe aan te houden.
Aansluitend draagt hij zijn daarop betrekking hebbende pleitaantekeningen voor en legt deze vervolgens aan het hof over, waarbij tevens verzoekt de in voornoemd procesverbaal bedoelde informant als getuige ter terechtzitting dan wel door de rechter-commissaris te doen horen.
De raadsman geeft desgevraagd te kennen dat de - in een zogenaamd standaardformulier vervatte - appelschriftuur door hem is ingevuld, ondertekend en ingediend.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het verzoek tot het horen van de door de raadsman genoemde getuigen dient te worden afgewezen.
Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging. Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat het hof bij de beoordeling van het verzoek om [betrokkene 1], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] als getuigen te horen geen acht heeft geslagen op de appelschriftuur, nu deze niet de verklaring bevat als bedoeld in artikel 452, eerste lid, juncto artikel 450, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering en mitsdien niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Dientengevolge heeft te gelden dat zowel dit verzoek als het verzoek om de door de raadsman bedoelde informant als getuige te (doen) horen eerst ter terechtzitting door een in de zin van artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd raadsman is gedaan, zodat het hof in deze het criterium van artikel 315 en Pro - meer in het bijzonder waar het bedoelde informant betreft - artikel 316, van het Wetboek van Strafvordering van toepassing acht. Dat in aanmerking genomen is het hof tot het oordeel gekomen dat de noodzaak om voornoemde [betrokkene 1], [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en bedoelde informant als getuigen te (doen) horen niet is gebleken, temeer niet nu de daartoe strekkende verzoeken zijn ingegeven door het vermoeden dat [getuige 3] als informant en tevens infiltrant is opgetreden, doch de processtukken - ook indien deze worden bezien in het licht van hetgeen de raadsman dienaangaande naar voren heeft gebracht - geen begin van aannemelijkheid bevatten dat dit vermoeden gegrond zou kunnen zijn. Het hof wijst deze verzoeken dan ook af, evenals het daarmee samenhangende verzoek de behandeling van de zaak aan te houden.
(...)"
4.3. Het hof heeft het oordeel dat het noodzaakcriterium van toepassing is doen steunen op de vaststelling dat de schriftuur van 24 juli 2008 niet inhoudt de op grond van art. 452, eerste lid, in verbinding met art. 450, eerste lid aanhef en onder a, Sv vereiste verklaring van de raadsman dat hij tot indiening van die schriftuur door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd.
4.4. De door het hof bedoelde schriftuur bevindt zich bij de stukken, dateert evenals de 'akte instellen rechtsmiddel' van 24 juli 2008 en is evenals de akte rechtsmiddel door de raadsman ondertekend, met dien verstande dat dit formulier - anders dan de akte rechtsmiddel - inderdaad geen aparte verklaring bevat dat de raadsman bepaaldelijk gevolmachtigd was tot het indienen van dit formulier.
4.5. Tegen 's hofs beslissing zijn een aantal bezwaren in te brengen. Aangezien de verdachte zijn raadsman uitdrukkelijk heeft gemachtigd om hoger beroep in te stellen, kan het er m.i. voor worden gehouden dat hij zijn raadsman daarmee tevens heeft gemachtigd om het verplichte grievenformulier in te vullen en in te dienen. Bovendien was het m.i. niet te veel gevraagd om de raadsman in de gelegenheid te stellen zijn verzuim te herstellen door hem ter zitting te vragen of hij uitdrukkelijk gevolmachtigd was om het grievenformulier in te vullen en in te dienen.(1) Belangrijker nog is het volgende. Analoog aan het geval in HR 30 maart 2010, LJN BL3194 gaat het in onderhavige zaak om een formulier "hoger beroep" van de rechtbank te 's-Gravenhage dat is voorzien van de volgende aanhef: "Dit betreft een standaardformulier waarop u grieven tegen het vonnis en/of redenen voor het instellen van hoger beroep kunt weergegeven (art. 410 lid 1 en Pro lid 4 Wetboek van Strafvordering)". Dit formulier wordt klaarblijkelijk door de griffie van de rechtbank ter invulling en ondertekening voorgelegd aan degene die hoger beroep wenst in te stellen tegen een vonnis. Dit formulier bevat niet de verklaring als bedoeld in art. 450, eerste aanhef en sub a, Sv. Aangezien het formulier wordt gebezigd en ter ondertekening wordt aangeboden door een justitiële autoriteit mag de ondertekenaar - ook wanneer deze advocaat is - erop vertrouwen dat het geen later fataal blijkende fouten of leemten bevat en dat door de ondertekening en inlevering ook het in art. 410, vierde lid, Sv beoogde doel wordt bereikt (vgl. HR 22 maart 1988, NJ 1988, 849). Aldus berust 's hofs beslissing op het getuigenverzoek op onjuiste gronden en is het middel, voor zover het daarover klaagt, terecht voorgesteld.
4.6. De voorgestelde middelen slagen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. de conclusie voor HR 18 oktober 1994, NJ 1995/118, m.nt ThWvV en de conclusie bij HR 30 maart 2010, LJN BL3194.