ECLI:NL:PHR:2011:BQ2212
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep op rechtsverwerking bij vordering verrekening kosten gezamenlijke huishouding na overlijden samenwonende partner
De zaak betreft een vordering van een man die ruim dertig jaar ongehuwd samenwoonde met een vrouw die in 2004 overleed zonder testament. De man vorderde van de erfgenamen van de vrouw een bedrag ter verrekening van kosten van de gezamenlijke huishouding, stellende dat de vrouw nooit aan deze kosten had bijgedragen en daardoor een vermogen had opgebouwd.
De rechtbank wees de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de vordering was verjaard en dat sprake was van rechtsverwerking. Het hof overwoog dat de man door het jarenlang stilzwijgend accepteren van de financiële situatie het vertrouwen had gewekt geen aanspraak te maken op verrekening en dat de erfgenamen door het late tijdstip van de vordering in hun bewijspositie waren benadeeld.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af. Het hof heeft de vordering van de man voldoende beoordeeld en terecht geoordeeld dat het beroep op rechtsverwerking slaagt. Ook het beroep op ongerechtvaardigde verrijking faalt, omdat de stilzwijgende afspraken en de feitelijke financiële gang van zaken door partijen als redelijk werden ervaren.
Uitkomst: De vordering tot verrekening van kosten van de gezamenlijke huishouding wordt afgewezen wegens rechtsverwerking en verjaring.