ECLI:NL:PHR:2011:BQ2292
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang en rechtmatigheid bij machtiging gesloten jeugdzorg na verstrijken geldigheidsduur
De zaak betreft een cassatieberoep van een minderjarige tegen een machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. De kinderrechter had de machtiging verleend voor een beperkte periode, waarna de minderjarige hoger beroep instelde. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang, omdat de geldigheidsduur van de machtiging was verstreken.
De Hoge Raad overweegt dat het procesbelang bij een rechtsmiddel tegen een tijdelijke maatregel niet automatisch vervalt na afloop van de geldigheidsduur, zeker niet als de appellant een belang stelt bij een beoordeling van de rechtmatigheid met het oog op een mogelijke schadevergoeding. De Hoge Raad benadrukt dat het belang niet mag worden ontzegd op grond van het ontbreken van een verzoek tot beoordeling van rechtmatigheid.
Echter, in deze zaak heeft de minderjarige geen concrete feiten gesteld omtrent de geleden of te lijden schade door de tenuitvoerlegging van de maatregel. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een retrospectief oordeel over de rechtmatigheid noodzakelijk is. De Hoge Raad verwierp daarom het beroep en bevestigde dat het hof het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Tevens werd het oordeel van het hof dat de behandeling in Almata passend was, inclusief de herhaalde EQUIP-training, niet onjuist bevonden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat onvoldoende belang is gesteld voor een inhoudelijk oordeel over de machtiging na afloop van de geldigheidsduur.