ECLI:NL:PHR:2011:BQ2306
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussentijdse beschikking in echtscheidingszaak
In deze zaak heeft de vrouw cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het hof die zowel een eindbeschikking bevatte over de alimentatie als een tussenbeschikking over de verrekening en verdeling van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank had eerder bepaald dat de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud moest betalen en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden. De vrouw stelde hoger beroep in tegen deze beschikking en verzocht onder meer om een hogere alimentatie en opname van aandelen in het verrekeningsvermogen.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank, waarbij het de aandelen van de man niet tot het verrekeningsvermogen rekende. De vrouw richtte haar cassatieklachten uitsluitend tegen het tussenbeschikkinggedeelte, namelijk de verrekening en verdeling, en niet tegen het eindbeslissinggedeelte over de alimentatie.
De Hoge Raad oordeelt dat cassatieberoep tegen een tussentijdse beschikking slechts ontvankelijk is indien ook klachten tegen het eindbeslissinggedeelte worden gericht. Omdat de vrouw dit niet heeft gedaan, wordt haar cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van het hof blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen klachten richt tegen het eindbeslissinggedeelte van de beschikking.