6. In gevallen waarin sprake is van een deeluitspraak als hiervoor bedoeld, moet terstond binnen de daarvoor geldende termijn beroep worden ingesteld van het gedeelte dat een einduitspraak is. In verband daarmee is in de rechtspraak een uitzondering aanvaard op het verbod van tussentijds beroep van een tussenuitspraak. Aangenomen wordt dat in gevallen waarin sprake is van een deeluitspraak, het verbod om tussentijds beroep in te stellen tegen een tussenuitspraak wordt doorbroken in die zin dat tussentijds beroep tegen deze uitspraak ook wat betreft het tussenuitspraakgedeelte (het interlocutoire gedeelte) daarvan steeds mogelijk is omdat een ander stelsel ten gevolge kan hebben dat de berechting van met elkaar samenhangende vorderingen of verzoeken zou worden gesplitst, hetgeen onwenselijk is. Zie HR 23 januari 2004, LJN AL 7051, NJ 2005, 510, m.nt DA onder NJ 2005, 511, in welke uitspraak de naar oud recht aanvaarde uitzondering op het rechterlijk verbod van tussentijds beroep werd gehandhaafd voor de toepassing van het wettelijk verbod van tussentijds beroep naar huidig recht. Zie ook HR 20 januari 2006, LJN AU7513, NJ 2006, 76. Zie voor de jurisprudentie met betrekking tot het voorheen geldende recht HR 13 januari 1995, LJN ZC1605, NJ 1995, 482 en in het bijzonder ook HR 7 december 1990, LJN ZC0076, NJ 1992, 85, m.nt. HJS.
Uit laatstgenoemde uitspraak blijkt dat het niet doelmatig is geoordeeld om voor het hier te volgen regiem onderscheid te maken tussen gevallen waarin sprake is van met elkaar samenhangende onderdelen van het gevorderde/verzochte en gevallen waarin zich een zodanige samenhang niet voordoet, aangezien een dergelijk onderscheid wegens de daaraan verbonden onzekerheden niet geschikt werd geacht om als criterium te dienen voor het te dezen geldende appel- en cassatieregiem.
In laatstgenoemde uitspraak waarin het ging om een tussentijds appel tegen een deelvonnis, is door uw Raad overwogen dat "met het oog op evenbedoeld belang" (het belang van het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen) valt op te merken dat een appellant in zijn appel niet kan worden ontvangen indien hij, na geappelleerd te hebben van het gehele vonnis, alleen tegen het interlocutoire gedeelte grieven richt. Deze "opmerking" impliceert dat ingeval sprake is van een deeluitspraak in de hier bedoelde zin, het naar huidig recht geldende wettelijk verbod van tussentijds hoger beroep en tussentijds cassatieberoep tenzij de rechter anders heeft bepaald (welk wettelijk verbod voor de verzoekschriftprocedure in hoger beroep reeds gold onder oud recht), alleen wordt doorbroken - gelet op de ratio van doorbreking - ingeval zowel tegen het einduitspraakgedeelte als tegen het tussenuitspraakgedeelte grieven respectievelijk cassatieklachten worden gericht. Zie ook S.M. Kingma, "Tussentijds beroep tegen tussenuitspraken en deeluitspraken", TCR 2010, nr. 1, p. 1-12, in het bijzonder onder 3.2 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 36, voetnoot 7.
Zie verder over het wettelijk verbod van tussentijds beroep: Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nrs. 59 en 60 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 27 e.v. , steeds met verdere verwijzingen.