ECLI:NL:PHR:2011:BQ2494
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening wegens onbekendheid minderjarigheid bij bewezenverklaard feit
De zaak betreft een herzieningsverzoek van een onherroepelijk vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging gepleegd op 14 mei 2005. De aanvrager stelde dat hij minderjarig was ten tijde van het plegen van het feit, hetgeen niet bekend was bij de oorspronkelijke rechter. Ter onderbouwing werden diverse documenten overgelegd, waaronder een uittreksel uit het Turkse geboorteregister, een aanvraagformulier voor een identiteitskaart, en een paspoort van de moeder waarin de aanvrager als kind werd vermeld met een geboortedatum in 1988.
Tijdens het oorspronkelijke onderzoek was er onduidelijkheid over de geboortedatum van de aanvrager; verschillende documenten en verklaringen gaven zowel 1987 als 1988 aan. De politierechter ging uit van de datum die de meerderjarigheid suggereerde. De Hoge Raad oordeelt dat het nieuw overgelegde bewijs een novum vormt dat bij het eerdere onderzoek niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat de rechter, indien bekend met de minderjarigheid, een minder zware strafbepaling had toegepast conform de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen.
De Hoge Raad benadrukt dat minderjarigheid geen invloed heeft op de strafbaarstelling zelf, maar wel op het sanctiestelsel, waardoor een minder zware straf passend zou zijn geweest. Gezien deze omstandigheden verklaart de Hoge Raad het herzieningsverzoek gegrond en wijst het toe, waarmee het vonnis wordt herzien.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek gegrond wegens nieuw bewijs van minderjarigheid ten tijde van het bewezenverklaarde feit.