ECLI:NL:PHR:2011:BQ2797

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01429
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 5 lid 3 Wet BopzArt. 279 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt recht op hoor en wederhoor bij voorlopige machtiging Bopz

In deze zaak verzocht de officier van justitie een voorlopige machtiging voor betrokkene op grond van de Wet Bopz. De rechtbank verleende deze machtiging na het horen van betrokkene, zijn familie en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. Betrokkene klaagde dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden omdat hij niet voorafgaand aan de beschikking kon reageren op inlichtingen van de huisarts, behandelend psychiater en verzorgingshuispersoneel, noch de deskundigen kon laten horen of een contra-expertise kon aanvragen.

De Hoge Raad oordeelde dat de klacht geen feitelijke grondslag heeft. De inlichtingen van de huisarts en behandelend psychiater waren niet aan de beslissing ten grondslag gelegd en de geneeskundige verklaring was betrokkene en zijn raadsman tijdig verstrekt. Betrokkene had de mogelijkheid om te reageren en getuigenverhoor of contra-expertise aan te vragen. De rechtbank had bovendien niet buiten de zitting om inlichtingen ingewonnen, anders dan in de door betrokkene aangehaalde eerdere zaak.

De Hoge Raad concludeerde dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden en verwierp het cassatieberoep. Hiermee werd bevestigd dat bij voorlopige machtigingen op grond van de Wet Bopz voldoende waarborgen voor hoor en wederhoor gelden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging blijft in stand.

Conclusie

11/01429
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 22 april 2011
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te Maastricht
1. Deze Bopz-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Op 20 december 2010 heeft de officier van justitie in het arrondissement Maastricht de rechtbank aldaar verzocht ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geb. 1939, hierna: betrokkene) een voorlopige machtiging te verlenen.
2. Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd van de psychiater [psychiater 1], die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was. In deze verklaring (rubriek 2) wordt melding gemaakt van het plegen van overleg met de huisarts en de behandelend psychiater [psychiater 2]. Verder vermeldt de verklaring dat het psychiatrisch onderzoek en de beoordeling van het gevaar mede zijn gebaseerd op inlichtingen van het personeel van het verzorgingshuis waar betrokkene voor dagbehandeling verblijft (rubriek 4.a en 4.c resp. 5.a en 5.d). De diagnose luidt: "ontremming, decorumverlies, affectlabiliteit en zelfoverschatting, meest waarschijnlijk op basis van een (frontaal) dementieel syndroom, dan wel door een hypomaan toestandsbeeld (...)" (4.d).
3. De rechtbank heeft op 30 december 2010 betrokkene, zijn echtgenote en twee zonen alsmede een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige gehoord. Hoewel betrokkene te kennen gaf geen bijstand te willen van de hem toegevoegde raadsman (mr. Hendriks), heeft hij wel ingestemd met diens aanwezigheid bij de mondelinge behandeling. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van zes maanden.
4. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld(1). In cassatie is geen verweer gevoerd.
5. De klacht houdt in dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, nu betrokkene voorafgaand aan de bestreden beschikking niet in staat is gesteld om:
a) kennis te nemen van en te reageren op de inlichtingen van de huisarts, de behandelend psychiater en het personeel van het verzorgingshuis,
b) de deskundigen, wier oordeel aan de beslissing ten grondslag ligt, als getuigen te laten horen en/of een contra-expertise te laten uitbrengen.
Ter toelichting is gesteld dat betrokkene de juistheid van de informatie van het personeel van het verzorgingstehuis op verscheidene punten betwist, dat hij voldoende beseft wat hij doet en dat hij geen gevaar vormt voor zichzelf of zijn omgeving.
6. Bij zijn klacht mist betrokkene belang, voor zover deze betrekking heeft op inlichtingen die de huisarts en de behandelend psychiater - in het kader van het door art. 5 lid 3 Wet Pro Bopz voorgeschreven overleg - aan psychiater [psychiater 1] hebben verstrekt. In de geneeskundige verklaring is de inhoud van deze inlichtingen niet vermeld en wordt evenmin daarnaar verwezen. De bestreden beslissing is daarop niet gebaseerd.
7. Wat betreft de inlichtingen van het personeel van het verzorgingshuis mist de klacht feitelijke grondslag. In de geneeskundige verklaring is de korte inhoud van deze inlichtingen vermeld. Niet is gesteld dat betrokkene althans zijn advocaat vóór de mondelinge behandeling geen afschrift van de geneeskundige verklaring heeft ontvangen op de voet van art. 279 lid 2 Rv Pro. Evenmin blijkt uit de processtukken, het proces-verbaal of de beschikking dat hem de inzage daarvan is onthouden. Betrokkene heeft gelegenheid gehad om naar aanleiding van (de weergave van deze inlichtingen in) de geneeskundige verklaring een reactie hierop te geven en desgewenst een getuigenverhoor en/of een contra-expertise aan te vragen. Anders dan in de zaak HR 11 december 2009 (LJN: BK0866), waarnaar de toelichting op de klacht verwijst, heeft de rechtbank niet buiten de zitting bij derden inlichtingen ingewonnen. De slotsom is dat de klacht faalt. Toepassing van art. 81 RO Pro wordt in overweging gegeven.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Aanvankelijk is een verzoekschrift in cassatie ingediend door een daartoe niet bevoegde advocaat. Binnen de cassatietermijn is dit verzuim hersteld.