ECLI:NL:PHR:2011:BQ2797
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op hoor en wederhoor bij voorlopige machtiging Bopz
In deze zaak verzocht de officier van justitie een voorlopige machtiging voor betrokkene op grond van de Wet Bopz. De rechtbank verleende deze machtiging na het horen van betrokkene, zijn familie en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. Betrokkene klaagde dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden omdat hij niet voorafgaand aan de beschikking kon reageren op inlichtingen van de huisarts, behandelend psychiater en verzorgingshuispersoneel, noch de deskundigen kon laten horen of een contra-expertise kon aanvragen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klacht geen feitelijke grondslag heeft. De inlichtingen van de huisarts en behandelend psychiater waren niet aan de beslissing ten grondslag gelegd en de geneeskundige verklaring was betrokkene en zijn raadsman tijdig verstrekt. Betrokkene had de mogelijkheid om te reageren en getuigenverhoor of contra-expertise aan te vragen. De rechtbank had bovendien niet buiten de zitting om inlichtingen ingewonnen, anders dan in de door betrokkene aangehaalde eerdere zaak.
De Hoge Raad concludeerde dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden en verwierp het cassatieberoep. Hiermee werd bevestigd dat bij voorlopige machtigingen op grond van de Wet Bopz voldoende waarborgen voor hoor en wederhoor gelden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging blijft in stand.