ECLI:NL:PHR:2011:BQ2801

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01576
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van gemeenschappelijke goederen en kosten deskundige bij echtscheiding

De man stelde cassatieberoep in tegen twee beschikkingen van het gerechtshof Den Haag in een zaak over de verdeling van gemeenschappelijke goederen na echtscheiding. Het hof had een deskundigenbericht gelast en bepaald dat de man een voorschot van €59.500,- moest storten voor de kosten van de deskundige. Later verklaarde het hof het hoger beroep van beide partijen niet-ontvankelijk nadat het hoger beroep werd ingetrokken, stelde de vergoeding van de deskundige vast op €6.098,75 en betaalde dit bedrag ten laste van het voorschot.

De man klaagde dat de deskundige geen werkzaamheden had verricht omdat geen regiezitting had plaatsgevonden, dat de kosten van eventueel verricht vooronderzoek niet op zijn verzoek waren gemaakt en dat het hof een verrassingsbeslissing had genomen zonder partijen hierover te informeren. De vrouw diende geen verweerschrift in cassatie in.

De Hoge Raad oordeelde dat de man niet ontvankelijk was in zijn beroep tegen de beschikking van 29 juli 2009, en dat de klachten tegen de beschikking van 13 januari 2010 niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad wees erop dat partijen gezamenlijk hadden bevestigd dat de man de kosten van de deskundige zou dragen en dat het hof de kosten terecht ten laste van de man had gebracht. Er was geen sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor het deel tegen de beschikking van 29 juli 2009 en wordt afgewezen voor het deel tegen de beschikking van 13 januari 2010.

Conclusie

10/01576
Mr L. Strikwerda
Parket, 22 april 2011
conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door eiser tot cassatie (hierna: de man) ingestelde cassatieberoep is gericht tegen beschikkingen van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 juli 2009 en van 13 januari 2010. De beschikkingen zijn gegeven op het principaal hoger beroep van de man en het incidenteel hoger beroep van verweerster in cassatie (hierna: de vrouw) tegen een beschikking van de rechtbank van 1 juli 2008, waarbij in verband met de bij beschikking van 20 november 2006 door de rechtbank tussen partijen uitgesproken echtscheiding een verdeling van de goederen die partijen in gemeenschappelijke eigendom hebben werd vastgesteld.
2. Bij de bestreden beschikking van 29 juli 2009 heeft het hof, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, een deskundigenbericht gelast. Daarbij heeft het hof bepaald dat de man binnen veertien dagen na de uitspraak van de beschikking een voorschot van Euro 59.500,- ter dekking van de kosten van de deskundige ter griffie van het hof zal deponeren.
3. Bij de bestreden beschikking van 13 januari 2010 heeft het hof, nadat de advocaten van partijen het hof hadden bericht dat het hoger beroep wordt ingetrokken, de man en de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in zijn resp. haar hoger beroep. Voorts heeft het hof de vergoeding van de deskundige vastgesteld op Euro 6.098,75 (incl. omzetbelasting) en de griffier van het hof gelast dit bedrag ten laste van het in deze zaak onder de griffier berustende voorschot van Euro 59.500,- aan de deskundige te betalen en het restant van het voorschot terug te betalen aan de man.
4. Het cassatieberoep berust op één middel. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
5. Het middel voert geen klachten aan tegen de beschikking van het hof van 29 juli 2009, zodat de man in zijn cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen deze beschikking niet kan worden ontvangen.
6. De door het middel aangevoerde klachten tegen de beschikking van het hof van 13 januari 2010 kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep voor zover het zich richt tegen de beschikking van 13 januari 2010 zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
7. Het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van de deskundige van Euro 6.098,75 ten laste van de man komen. Als ik het goed zie voert het middel als klacht aan dat de deskundige zijn werkzaamheden niet kon aanvangen en dus geen kosten kan hebben gemaakt omdat geen regiezitting door het hof heeft plaatsgevonden (onder G en H). Voorts klaagt het middel dat, voor zover de deskundige in het kader van een vooronderzoek al werkzaamheden heeft verricht, deze niet op verzoek van de man zijn verricht en de kosten daarvan dus niet bij de man in rekening kunnen worden gebracht (onder K), maar voor rekening van het hof dienen te komen (onder M). En ten slotte verwijt het middel het hof zich te hebben schuldig gemaakt aan een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, nu partijen niet ervan op de hoogte waren dat aan de deskundige opdracht is gegeven werkzaamheden te verrichten en ook geen stukken met betrekking tot de werkzaamheden van de deskundige aan partijen zijn toegestuurd (onder I en J).
8. Tot de gedingstukken behoort een faxbrief d.d. 10 december 2009 van de advocaat van de vrouw aan het hof (zie de beschikking van het hof van 13 januari 2010, blz. 2), welke brief voor akkoord is ondertekend door de advocaat van de man. In de brief wordt medegedeeld dat het hoger beroep wordt ingetrokken en voorts dat
"[de man] (de man, A-G) de tot op heden gemaakte onderzoekskosten van de deskundige [de deskundinge] voor zijn rekening zal nemen, hetgeen betekent dat het door [de man] betaalde voorschot van Euro 59.500,- onder aftrek van de reeds door de deskundige gemaakte kosten aan [de man] kan worden uitgekeerd."
9. Gelet op inhoud van deze brief, waarin noch ten aanzien van de vraag of de deskundige onderzoek heeft verricht en kosten heeft gemaakt, noch ten aanzien van de hoogte van deze kosten enig voorbehoud wordt gemaakt, is onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof heeft beslist dat de door de deskundige gemaakte kosten van onderzoek ten laste van de man komen. Bovendien had de man, gelet op de inhoud van de brief, erop bedacht kunnen zijn dat het hof die kosten zou begroten op het door de deskundige opgegeven bedrag. Van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is dan ook geen sprake. Het middel faalt derhalve.
De conclusie strekt
- tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn beroep voor zover dit is gericht tegen de beschikking van het hof van 29 juli 2009, en
- tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro voor zover dit is gericht tegen de beschikking van het hof van 13 januari 2010.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,