ECLI:NL:PHR:2011:BQ3006

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01104
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 WGBZArt. 56a WGBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling tijdige betaling griffierecht bij cassatieberoep volgens art. 3 lid 3 WGBZ

In deze zaak staat centraal of de betaling van het griffierecht door eiser tot cassatie tijdig is verricht conform art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (WGBZ). De dagvaarding tot cassatie werd uitgebracht op 12 januari 2011, en het griffierecht werd betaald op 8 april 2011, vier weken na de datum van dagvaarding tegen 11 maart 2011.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad stelt dat bij de berekening van termijnen in het burgerlijk procesrecht de eerste dag van de termijn niet wordt meegerekend. Dit is een vaste regel die ook hier van toepassing is, zonder aanwijzingen dat art. 3 lid 3 WGBZ Pro hiervan afwijkt. Hierdoor is de betaling op 8 april 2011 binnen de termijn van vier weken na 11 maart 2011 gedaan.

De conclusie luidt dat de betaling van het griffierecht tijdig is verricht en dat er geen bezwaren zijn tegen de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De Hoge Raad kan de behandeling van het cassatieberoep voortzetten.

Uitkomst: Het cassatieberoep is ontvankelijk omdat het griffierecht tijdig is betaald binnen de termijn van art. 3 lid 3 WGBZ.

Conclusie

Zaaknr. 11/01104
Mr. Huydecoper
Zitting van 22 april 2011
Conclusie inzake
[Eiser]
eiser tot cassatie
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerster 2]
verweerders in cassatie
1. Het gaat in deze zaak (in dit stadium) alleen om de vraag of de eiser tot cassatie, [eiser], heeft gezorgd voor tijdige betaling van het griffierecht overeenkomstig de regel van art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken(1) (WGBZ).
2. Die vraag moet worden beantwoord in de volgende feitelijke context:
- namens de eiser tot cassatie, [eiser], is cassatieberoep ingesteld bij dagvaarding van 12 januari 2011 (tegen een arrest van 12 oktober 2010, zodat dagvaarding in elk geval tijdig is gebeurd).
- gedagvaard is tegen 11 maart 2011, en de zaak is toen ook aangebracht en ter rolle uitgeroepen.
- het griffierecht is betaald op (vrijdag) 8 april 2011.
3. Met het oog op de overgangsregel(s) van art. 56a WGBZ, is in dit geval deze wet in volle omvang van toepassing.
Aan de Hoge Raad wordt thans de vraag voorgelegd of betaling van het griffierecht op de hoger aangegeven datum, kan gelden als tijdige betaling op de voet van art. 3 lid 3 WGBZ Pro.
4. Volgens mij moet die vraag met een (volmondig) "ja" worden beantwoord.
8 april is precies vier weken na 11 maart, wanneer men de eerstgenoemde dag - de elfde maart - niet meetelt. Betaling binnen vier weken is conform de regel van art. 3 lid 3 WGBZ Pro
5. Het is bij de berekening van termijnen in het burgerlijk procesrecht vaste regel dat de dag die het begin van de termijn markeert, zelf voor de berekening van de termijn niet wordt meegeteld(2).
Er bestaan geen relevante aanwijzingen dat de regel uit art. 3 lid 3 WGBZ Pro een van deze vaste regel afwijkend uitgangspunt zou voorschrijven. (Het zou ook zeer verwarrend, en al daarom bepaald onwenselijk zijn wanneer de WGBZ iets dergelijks wél deed. Als gezegd: niets wijst erop dat dat bedoeld zou zijn.)
Conclusie
Ik concludeer dat er geen bezwaren zijn ten aanzien van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in verband met de (tijdige) betaling van het griffierecht; en dat de behandeling in cassatie kan worden voortgezet.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Wet van 30 september 2010, S. 715.
2 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4, 2009, nr. 39; Tjittes - Asser, Rechtsmiddelen, 2007, p. 28; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 65; Funke, NJB 1976, p. 572 en NJB 1962, p. 273 - 275; HR 31 augustus 1984, NJ 1985, 52, rov. 3.1. Dat de eerste dag zelf niet meetelt is volgens de aangehaalde overweging uit HR 31 augustus 1984, NJ 1985, 52 "in overeenstemming met hetgeen in het algemeen voor processuele termijnen vanouds geldt." In alinea 7 van de conclusie voor deze beslissing drukt A-G Ten Kate het zo uit: "De dag van de gebeurtenis waarvandaan een termijn moet worden berekend, wordt naar algemeen erkende regels van procesrecht in beginsel niet meegerekend."