1 Vooral ontleend aan rov. 1 van het tussenarrest dat het hof in de zaak die in cassatie nr. 10/00483 heeft, op 8 september 2005 heeft gewezen, en rov. 2 van het op dezelfde datum gewezen tussenarrest uit de zaak die in cassatie nr. 10/00490 heeft.
2 Naar ik uit de in voetnoot 1 aangehaalde overwegingen uit de daar genoemde tussenarresten van 8 september 2005 opmaak, is dit de aan dit rozenras gegeven "handelsnaam", terwijl de rasbenaming "Nirpventyel" is.
3 Deze vaststellingen tref ik aan in rov. 5 en 6 van het op 22 september 2009 gewezen eindarrest in de zaak die thans vooral in zaaknr. 10/00483 aan de orde is, en in rov. 7 van het op dezelfde datum gewezen eindarrest in de zaak die in cassatie onder nr. 10/00490 aanhangig is.
4 Vermelding van dit gegeven is relevant omdat, zoals ook in het cassatiemiddel aan de orde wordt gesteld, de later aan het licht gekomen problemen bij de teelt van het ras zich pas na langere tijd - na een jaar of nog later - zouden manifesteren.
5 De eindarresten van het hof zijn, zoals al even werd opgemerkt, van 22 september 2009. De cassatiedagvaardingen zijn - in beide zaken - uitgebracht op 22 december 2009.
6 Voor de overige betrokkenen in deze zaak geldt, zoals al even ter sprake kwam, dat het hof "hun" zaken wél gezamenlijk heeft behandeld en bij één eensluidende reeks arresten heeft beoordeeld en afgedaan. Voor deze partijen zou ik daarom, ware niet ook de zaak van partij [eiseres 9] en haar wederpartij [verweerster 4] erbij betrokken, aannemen dat het instellen van cassatieberoep bij één dagvaarding (nog juist) wél met de goede procesorde te rijmen zou zijn.
7 In dit betoog worden, begrijpelijkerwijs, de argumenten van de kant van de wederpartijen die de tegengestelde strekking hadden, niet aangehaald of belicht.
8 Van de kant van [eisers 1 t/m 9] wordt de rechtsverhouding van partijen steeds gekwalificeerd als "koop"; maar die kwalificatie is aanvechtbaar (men kan immers met hetzelfde recht van opdracht/aanneming spreken). Het hof heeft die rechtsverhouding dan ook klaarblijkelijk niet als een recht-toe-recht-aan koop beoordeeld.
9 Voor gegevens over de rechtsgeldigheid van exoneratieclausules als hier bedoeld, verwijs ik naar HR 2 september 2008, NJ 2008, 480, rov. 3.5; HR 15 oktober 2004, NJ 2005, 141, rov. 3.5; HR 18 juni 2004, NJ 2004, 585, rov. 3.6 en 3.7; HR 12 mei 2000, NJ 2000, 412, rov. 3.4. Zie ook HR 21 december 2001, JOR 2002, 45 m.nt. B. Wessels, rov. 3.4; HR 11 februari 2000, NJ 2000, 294, rov. 3.5 en 3.7; HR 12 december 1997, NJ 1998, 208, JOR 1998, 39 m.nt. Kortmann, rov. 3.6.1.
Van de omvangrijke literatuur over het onderwerp noem ik: Hijma c.s., Rechtshandeling en overeenkomst, 2010, nrs. 284 en 284a; T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 5, 6, 7 en 8, 2009, Valk, art. 6:248, aant. 4 sub b; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 I*, 2008, nrs. 362 e.v. (i.h.b. nrs. 368 en 369); Duyvensz, De redelijkheid van de exoneratieclausule, diss. 2003, p. 30 - 35 en 97 - 98; Van Dunné, Verbintenissenrecht Deel 1, Contractenrecht, 2001, p. 420 - 449.
10 Of het zich beroepen op een exoneratieclausule als onaanvaardbaar moet worden beoordeeld, vergt voor een belangrijk deel waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet getoetst kunnen worden: zie opnieuw HR 2 september 2008, NJ 2008, 480, rov. 3.5 (slot); zie ook HR 13 april 2007, NJ 2007, 219, rov. 3.3.7 en HR 24 februari 2006, RvdW 2006, 232, rov. 3.4.3.
11 Dit lijkt mij eigenlijk alleen denkbaar ten aanzien van de stelling uit alinea 111 sub 1 onder viii van de Memorie van Antwoord en misschien de stelling uit alinea 58 sub 1 onder iii van de Pleitnota in appel namens [eisers 1 t/m 9]
12 De cassatieklachten in deze zaak geven er bij herhaling blijk van dat hetzij de overeenkomst in kwestie als koopovereenkomst wordt aangemerkt, hetzij die overeenkomst met een koopovereenkomst op één lijn wordt gesteld. Koop en licentie zijn echter wezenlijk verschillende overeenkomsten. Het is duidelijk dat ook het hof daar van uit is gegaan. Er ontbreekt dus een deugdelijke basis voor het hier gesignaleerde uitgangspunt van de cassatieklachten.