ECLI:NL:PHR:2011:BQ3033

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/05094
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 27 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cocaïne-invoerzaak

De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van het invoeren van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. De feiten betroffen perioden tussen november 2006 en april 2007, waarbij de verdachte onder meer voorbereidingshandelingen verrichtte en betrokken was bij het boeken van vluchten om toegang te krijgen tot Schiphol.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de pleegperiode in de bewezenverklaring met enkele maanden heeft verlengd zonder feitelijke grondslag, maar herstelt deze misslag zonder dat dit tot cassatie leidt. Wel wordt geoordeeld dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, aangezien het cassatieberoep pas ruim na zes maanden na het vonnis is ingediend.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor wat betreft de strafoplegging en vermindert de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. De zaak betreft een complexe internationale cocaïne-invoerzaak met meerdere verdachten en uitgebreide bewijsmiddelen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie; het beroep wordt verder verworpen.

Conclusie

Nr. 09/05094
Mr. Vegter
Zitting: 5 april 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte 3](1)
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 2 juli 2009 verdachte wegens 1. en 3. telkens opleverende "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 2. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid en/of 10a, eerste lid van de Opiumwet" en 4. "medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door zich of een ander gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en gelden voorhanden te hebben, waarvan zij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro en met verbeurdverklaring en teruggave van een inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.
2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [verdachte 2] (nr. 10/01354), [verdachte 1] (nr. 09/03066) en [verdachte 4] (nr. 10/01627), waarin ik vandaag eveneens concludeer.(2)
3. Namens verdachte heeft mr. K. Kasem, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. F.G.L. van Ardenne en mr. M. de Kock-Molendijk, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel behelst de klacht dat de grondslag van de tenlastelegging is verlaten en/of de bewezenverklaring van de feiten 2 en 4 met betrekking tot een deel van de voor deze feiten bewezenverklaarde periode niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
5. Aan de verdachte is onder 2 - kort gezegd - tenlastegelegd dat zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 november 2006 tot en met 3 april 2007 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het invoeren van cocaïne naar Nederland en het verrichten van voorbereidingshandelingen daartoe.
6. Bewezenverklaard is dat zij op tijdstippen in de periode van 25 november 2006 tot en met 22 juni 2007 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het invoeren van cocaïne naar Nederland en het verrichten van voorbereidingshandelingen daartoe.
7. Voorts is aan de verdachte onder 4 - kort gezegd - tenlastegelegd dat zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 april 2007 te Schiphol, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, samen met een ander of anderen, althans alleen, voorbereidingshandelingen heeft verricht teneinde cocaïne naar Nederland in te voeren. Blijkens het vonnis van de Rechtbank is de pleegperiode van dit feit op vordering van de Officier van Justitie op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 december 2007 gewijzigd in: één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 november 2006 tot en met 3 april 2007.(3)
8. Bewezenverklaard is dat zij in de periode van 25 november 2006 tot en met 22 juni 2007 in Nederland meermalen samen met een ander of anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht teneinde cocaïne naar Nederland in te voeren.
9. Blijkens de toelichting klaagt het middel er in de eerste plaats over dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door in de bewezenverklaring van de feiten 2 en 4 de pleegperiode (ten opzichte van de tenlastelegging) met zo'n drie maanden te verlengen.
10. Blijkens de toelichting klaagt het middel er voorts over dat de bewezenverklaring van de pleegperiode van 3 april 2007 tot en met 22 juni 2007 met betrekking tot de feiten 2 en 4 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu de verdachte vanaf 3 april 2007 in voorarrest heeft verbleven hetgeen ook gold voor (een deel van) haar medeverdachten.
11. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het Hof ten aanzien van deze feiten het volgende heeft vastgesteld. De verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie, waartoe onder meer [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 4] en [betrokkene 2] behoorden. Deze organisatie heeft zich beziggehouden met de invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek en Mexico naar Nederland. De cocaïne werd vervoerd door koeriers die met het vliegtuig reisden en de verdovende middelen verstopten in hun handbagage of hun ruimbagage (bewijsmiddelen 10, 11 en 12). De rol van de verdachte in deze organisatie bestond er onder meer uit dat zij vanaf oktober 2006 verschillende vluchten van en naar Dublin heeft geboekt voor diverse data in de periode van 25 november 2006 tot en met 26 maart 2007, zonder dat er daadwerkelijk gebruik is gemaakt van die vliegtickets (bewijsmiddel 13). Deze vluchten zijn uitsluitend geboekt teneinde aan de zogenaamde airside op Schiphol te kunnen komen, terwijl de verdachte heeft getracht om de niet gebruikte vliegtickets over te boeken naar een andere datum (bewijsmiddel 16). Voorts is zij aanwezig geweest bij ontmoetingen tussen verschillende leden van de organisatie, waarbij de komst van een nieuwe lading verdovende middelen werd besproken (bewijsmiddelen 11, 12, 15, 16 en 17). Bovendien heeft zij naar eigen zeggen gefungeerd als "buffer" bij het passeren van de douane door mee te lopen met degene die de tas met verdovende middelen zou pakken (bewijsmiddel 16). Op 26 maart 2007 zijn twee koeriers ([betrokkene 5] en [betrokkene 6]) - gearriveerd met een vliegtuig uit Punta Cana (Dominicaanse Republiek) - op Schiphol aan een douanecontrole onderworpen (bewijsmiddelen 1 en 4). Daarbij is in de handbagage van [betrokkene 5] (een zwarte schoudertas) 7.990,9 gram cocaïne aangetroffen (bewijsmiddelen 1, 2 en 3). Voorts is in de handbagage van [betrokkene 6] (een zwarte rolkoffer) 8.005,3 gram cocaïne gevonden (bewijsmiddelen 4, 5 en 6). Op 3 april 2007 is bij een douanecontrole op Schiphol in een stuk ruimbagage (een gele hardschalige rolkoffer van het merk Samsonite) afkomstig van een vlucht uit Cancun (Mexico) 10.062,7 gram cocaïne aangetroffen (bewijsmiddelen 8 en 9). Op diezelfde dag is de verdachte op Schiphol aangehouden (bewijsmiddel 15) en in verzekering gesteld.(4)
12. Het Hof heeft uit de inhoud van deze bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte van 25 november 2006 tot en met 3 april 2007 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 2) en samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht teneinde cocaïne naar Nederland in te voeren (feit 4). De bewezenverklaringen houden evenwel naast de periode van 25 november 2006 tot en met 3 april 2007 een andere pleegperiode in: van 4 april 2007 tot en met 22 juni 2007. De bewijsmiddelen houden echter niets in waaruit kan volgen dat de verdachte in die periode aan de organisatie heeft deelgenomen c.q. voorbereidingshandelingen heeft verricht en evenmin dat andere personen toen handelingen hebben verricht. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het Hof als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaringen de woorden "tot en met 22 juni 2007" heeft opgenomen. De Hoge Raad kan de bewezenverklaringen met herstel van deze misslag lezen, in dier voege dat deze inhouden dat de bewezenverklaarde feiten "(op tijdstippen) in de periode van 25 november 2006 tot en met 3 april 2007" zijn begaan. Aangezien in die lezing de aard en ernst van hetgeen is bewezenverklaard - in zijn geheel beschouwd - niet worden aangetast, behoeft 's Hofs kennelijke vergissing niet tot cassatie te leiden. Het middel faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.(5)
13. Het tweede middel bevat de klacht de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
14. De verdachte, die zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 9 juli 2009 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 18 maart 2010 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendingstermijn van zes maanden inderdaad is overschreden.(6) Het middel is terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.
15. Het tweede middel slaagt, terwijl het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 In Zwitserland wordt de verdachte er - kort gezegd - van verdacht dat zij samen met anderen van 27 maart 2006 tot en met 27 oktober 2006 betrokken was bij de invoer van cocaïne naar Zwitserland. De Zwitserse autoriteiten hebben ter zake van die feiten de uitlevering van de verdachte gevraagd. De Rechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 21 september 2009 de gevraagde uitlevering deels toelaatbaar verklaard. De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 januari 2010, nr. 09/04020 U (niet gepubliceerd, art. 81 RO Pro) het door de verdachte tegen die uitspraak ingestelde cassatieberoep verworpen.
2 In de met deze zaken samenhangende zaak [betrokkene 3] (nr. 09/02644) was aanvankelijk ook cassatieberoep ingesteld. Dit cassatieberoep is evenwel bij "akte rechtsmiddel" op 21 september 2010 ingetrokken.
3 Zie hetgeen het Hof hieromtrent heeft overwogen onder het hoofd "tenlasteleggingen".
4 Zie het bevel tot inverzekeringstelling betreffende de verdachte van 3 april 2007 van de Hulpofficier van Justitie. Vervolgens heeft de Rechter-Commissaris op 6 april 2007 de bewaring van de verdachte bevolen, waarna de verdachte zich ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep in voorlopige hechtenis heeft bevonden.
5 Vgl. jurisprudentie inzake verbeterde lezing van tijdsaanduidingen in de bewezenverklaring: HR 19 september 2006, nr. 03033/05 (niet gepubliceerd), HR 14 maart 2006, LJN AU9353, rov. 3.3 en HR 9 juli 2002, nr. 00964/01, rov. 5.3 (niet gepubliceerd).
6 Nu de verdachte zich ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie niet meer in voorlopige hechtenis bevindt, geldt voor de uitspraaktermijn een periode van twee jaren. Deze termijn zal naar verwachting niet worden overschreden.