ECLI:NL:PHR:2011:BQ3641
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Correctie berekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij profijtontneming
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel van verzoeker werd vastgesteld. Verzoeker was veroordeeld voor medeplegen van overvallen op een juwelier en een coffeeshop, waarbij benadeelde partijen immateriële en materiële schadevergoeding hadden gekregen toegekend in eerdere vonnissen.
Het middel van cassatie betrof het niet in mindering brengen van deze in rechte toegekende vorderingen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad bevestigt dat ingevolge artikel 36e lid 6 Sr dergelijke vorderingen in mindering moeten worden gebracht om dubbele terugvordering te voorkomen.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof ten onrechte de vorderingen van twee benadeelde partijen ter hoogte van in totaal € 2.000,- niet heeft verrekend met het geschatte voordeel. De Hoge Raad corrigeert daarom de berekening en vermindert het bedrag waarop de betalingsverplichting aan de Staat is gebaseerd met dit bedrag.
De overige klachten worden verworpen en de Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor zover het de hoogte van het voordeel en de betalingsverplichting betreft. De zaak betreft een belangrijke verduidelijking van de toepassing van profijtontneming en de verrekening van schadevergoedingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting aan de Staat met € 2.000,- wegens niet-verrekende schadevorderingen.