Nr. 09/04444 B
Mr. Silvis
Zitting 12 april 2011
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 6 oktober 2009 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag strekkende tot teruggave aan hem van in zijn strafzaak in beslag genomen geldbedragen.
2. Namens klager heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het hof klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard althans dat het hof deze beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd, dan wel dat deze onbegrijpelijk is.
4. Bij arrest van 16 augustus 2007 heeft het hof in de strafzaak klager vrijgesproken van witwassen van geldbedragen. Het hof heeft voorts ten aanzien van de in beslag genomen geldbedragen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast. Deze uitspraak van het hof is 30 augustus 2007 onherroepelijk geworden. Klager heeft vervolgens binnen de in art. 552a lid 3 Sv genoemde termijn van drie maanden op 23 november 2007 een klaagschrift ingediend, waarbij hij zich gesteld heeft als rechthebbende en hij om teruggave van de geldbedragen vraagt.
5. Het hof heeft klager bij beschikking van 6 oktober 2009 niet- ontvankelijk verklaard in zijn beklag. Het hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:
"Het hof heeft klager bij arrest van 16 augustus 2007 onder voormeld parketnummer ter zake van -kort gezegd- opzetheling veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van (onder meer) de in deze zaak inbeslaggenomen geldbedragen van in totaal € 144.025,-. Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2008, LJN BB8989, overweegt het hof dat klager geen belang meer heeft bij een beoordeling van de onderhavige klacht. Door de beslissing omtrent het beslag in de strafzaak tegen klager kan op het bestaande klaagschrift immers geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Gelet op het voorgaande zal het hof klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag."
6. Zoals ook in de toelichting op het middel wordt gesteld, ziet het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2008, LJN BB8989, waarnaar het hof verwijst, op een andere situatie dan de onderhavige. In de casus die ten grondslag ligt aan dat arrest was sprake van een beklag strekkende tot teruggave van een geldbedrag. De rechtbank had dit klaagschrift bij beschikking ongegrond verklaard. Klager stelde hiertegen cassatie in. Voordat het cassatieberoep werd behandeld, had de rechtbank reeds uitspraak gedaan in de strafzaak, waarbij ook een beslissing was genomen over het beslag. Dit vonnis was inmiddels onherroepelijk geworden. De Hoge Raad oordeelde dat, nu in de bestreden beschikking naar zijn aard een beslissing was gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande, door de beslissing omtrent het beslag in de strafzaak op het bestaande (cursivering door mij, JS) klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer kon volgen.
In die zaak was dus het voorlopige oordeel van de raadkamer ingehaald, en daarmee vervangen, door het definitieve oordeel van de rechtbank in de strafzaak. Een cassatieberoep tegen dat voorlopige oordeel van de raadkamer had derhalve geen zin meer.
7. In casu gaat het echter om een heel andere situatie. Er is geen voorlopig oordeel van de raadkamer dat door de beslissing omtrent het beslag in het arrest van het hof in de strafzaak niet meer relevant is. Het betreft hier in beginsel een klaagschrift omtrent het beslag, ingediend door een belanghebbende binnen drie maanden nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. De omstandigheid dat de bewaring ten behoeve van de rechthebbende is gelast ten aan zien van de voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking heeft, staat op zichzelf aan een (ook hernieuwd) beklag niet in de weg, net zo min als de onherroepelijkheid van een eerdere beslissing met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, mits daardoor het beslag niet is geëindigd (HR 31 maart 2009, LJN BI3977).
8. Het onderhavig geval vertoont wel enige gelijkenis met dat in het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2002 (LJN AE3544, NJ 2003/36). Daar had de beklagrechter het beklag na een onherroepelijk geworden vonnis, waarbij was gelast in beslag genomen geld te bewaren voor de rechthebbende, wel inhoudelijk behandeld. In de conclusie bij het arrest stelt de (dan nog plaatsvervangende) procureur-generaal Fokkens de vraag aan de orde of beklag door de ex-verdachte na een onherroepelijk strafvonnis wel mogelijk was. Fokkens meent van wel. De Hoge Raad laat zich over deze vraag niet uitdrukkelijk uit, maar geeft geen blijk van afkeuring omtrent het gegeven dat de rechtbank de (vrijgesproken) ex-verdachte/belanghebbende stilzwijgend ontvankelijk achtte en het beklag inhoudelijk heeft behandeld.(1)
9. Een verschil met de zojuist besproken zaak is wel, dat thans klager niet een vrijgesproken ex-verdachte betreft, maar een door het hof wegens opzetheling inmiddels onherroepelijk veroordeelde. Het hof heeft de in deze zaak inbeslaggenomen geldbedragen gelast te bewaren voor de rechthebbende, in de visie van het hof (ten tijde van de veroordeling) niet zijnde klager. Of een veroordeelde, na het onherroepelijk worden van de veroordeling waarbij deze als niet-rechthebbende is aangemerkt aangaande in die zaak inbeslaggenomen voorwerpen, met een klaagschrift als belanghebbende, beweerdelijk rechthebbende, kan opkomen tegen voortduring van het beslag, staat met het voorgaande (nog) niet vast. Maar ik meen dat er in dit verband geen reden is onderscheid te maken tussen een veroordeelde en een niet-veroordeelde verdachte, aangaande voorwerpen waaromtrent in het onherroepelijk geworden vonnis of arrest de 'bewaring voor de rechthebbende' is gelast.
10. De standaardbeschikking inzake beklag (HR 28 september 2009, LJN BL2823) houdt wel een rechtsoverweging in aangaande de ontvankelijkheid van een klaagschrift (rov 2.3), maar geeft op basis van eerdere jurisprudentie vooral een samenvattend kader voor de beoordeling van de gegrondheid van een beklag inzake beslag. In beginsel is niet helemaal uit te sluiten dat uw Raad in een beslissing tot niet-ontvankelijkheid van klager een kennelijk oordeel van de raadkamer leest inzake de ongegrondheid van een klaagschrift (zo versta ik HR 22 maart 2011, LJN BP1288). Maar in dit geval ontbreekt een aanknopingspunt voor de opvatting dat het hof zich in de beklagzaak materieel een (zelfstandig) oordeel heeft gevormd omtrent de aanspraken van klager.
11. Ik concludeer derhalve dat de beslissing van het hof klager in zijn klaagschrift niet-ontvankelijk te achten niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd door de verwijzing naar HR 8 januari 2008, LJN BB8989, zodat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
12. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 De Hoge Raad oordeelde dat in de beslissing van de rechtbank op het klaagschrift besloten lag dat teruggave van het inbeslaggenomen geld aan de klager niet kon worden gelast omdat klager redelijkerwijze niet als rechthebbende kon worden beschouwd. Dat oordeel gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.