ECLI:NL:PHR:2011:BQ3766

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01476
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplichtigheid en voorwaardelijk opzet bij verschaffen vuurwapen voor doodslag

Verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan doodslag. Het hof oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat [betrokkene 1] met een vuurwapen het slachtoffer zou doden, doordat hij het wapen aan hem overhandigde terwijl hij wist dat [betrokkene 1] woedend en dronken was en in staat was het wapen te gebruiken.

De verdediging had verzocht om het horen van [betrokkene 1] als getuige, maar dit verzoek werd door het hof afgewezen met een gemotiveerde toepassing van het noodzaakcriterium. De Hoge Raad oordeelde dat deze afwijzing niet onbegrijpelijk was en dat het hof de juiste maatstaf had toegepast.

Daarnaast stelde de verdediging dat het bewezenverklaarde ontoereikend was gemotiveerd met betrekking tot het opzet van verdachte. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat [betrokkene 1] met het vuurwapen zou doden.

De Hoge Raad vond geen gronden om het arrest te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. Hiermee bleef de veroordeling van verdachte tot 12 maanden gevangenisstraf in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte tot 12 maanden gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan doodslag.

Conclusie

Nr. 10/01476
Mr. Silvis
Zitting 12 april 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is bij arrest van 3 november 2009 door het gerechtshof te Amsterdam wegens "medeplichtigheid aan doodslag", veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf.
2. Namens verdachte heeft mr. C.L. Kranendonk, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het hof het verzoek van de verdediging om [betrokkene 1] als getuige te horen ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
4. Het proces-verbaal van de regiezitting van het hof op 21 april 2009 houdt - voor zover hier van belang - in:
"(...)
De advocaat-generaal merkt op dat de verzoeken van de raadsman tardief zijn gedaan nu hij niet binnen 14 dagen na het instellen van hoger beroep zijn appèlschriftuur heeft ingediend. Derhalve is het noodzaakcriterium van toepassing.
De raadsman deelt - zakelijk weergegeven - mede:
Ik zal mijn getuigenverzoeken uiteenzetten. Het verzoek tot het horen van de door mij verzochte getuige, [getuige 1], is reeds op 30 maart 2009 door de advocaat-generaal toegewezen.
Op pagina 429 van het dossier verklaart getuige [getuige 2] dat hij, vanaf het trapje van de woonwagen van [betrokkene 1], zag dat [betrokkene 1] en de verdachte om de hoek van de woonwagen kwamen lopen vanachter de woonwagen vandaan. [Getuige 2] verklaart dat hij op dat moment in de linkerhand van [betrokkene 1] het wapen zag. Het lijkt mij erg onwaarschijnlijk dat [getuige 2] dat wapen heeft kunnen waarnemen, gezien de locatie waar hij zich bevond. Het is van groot belang dat [getuige 2] zal worden geconfronteerd met deze vraag nu dit nog niet is gebeurd en de rechtbank deze verklaring van [getuige 2] als bewijs heeft gebruikt. [Betrokkene 1] hield ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 juli 2007 een erg onsamenhangend verhaal. Ik zou hem wel als getuige willen horen, maar ik heb mijn twijfels over de bruikbaarheid van zijn verklaring nu ik al een inschatting kan maken van de kwaliteit van zijn getuigenis. De verdachte heeft een aantal keer verklaard in mijn bijzijn, dat hij het wapen zelf onder de woonwagen heeft gelegd. Ik heb geen bezwaar tegen het horen van de door mij verzochte getuigen door een van de raadsheren van de combinatie als gedelegeerd raadsheer-commisaris.
De advocaat-generaal deelt mede dat zij het ook van belang acht om de getuige [getuige 2] te horen en zij vordert toewijzing van het verzoek tot het horen van deze getuige. Voorts vordert zij afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] nu hij al eerder ten overstaan van een rechter is gehoord in het bijzijn van de verdediging en het verzoek onvoldoende is onderbouwd.
Na beraad in raadkamer en gehoord de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal, deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede:
- dat het getuigenverzoek met betrekking tot het horen van [betrokkene 1] wordt afgewezen;
(...)".
5. Indien de rechter een verzoek van de verdachte (of diens raadsman) tot het horen van een getuige afwijst, zal hij zijn beslissing (toereikend) moeten motiveren.(1)
6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 21 april 2009 blijkt dat het hof het verzoek van de verdediging om [betrokkene 1] als getuige te horen heeft afgewezen. De gemotiveerde stelling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep dat het noodzaakcriterium van toepassing is op de beoordeling van de gevraagde getuige, is door de verdediging niet betwist. Het kan er daarom, mede gelet op de overweging 'gehoord de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal', voor worden gehouden dat het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat de noodzaak tot het horen van de getuige niet is gebleken. Aldus begrepen is de juiste maatstaf toegepast.(2) Gelet op hetgeen de verdediging voor het horen van deze getuige nog ter onderbouwing aanvoerde, is een beknopt gemotiveerde afwijzing van het verzoek ook overigens niet onbegrijpelijk. Ik doel daarbij op de volgende motivering van de zijde van de verdediging:
"[Betrokkene 1] hield ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 juli 2007 een erg onsamenhangend verhaal. Ik zou hem wel als getuige willen horen, maar ik heb mijn twijfels over de bruikbaarheid van zijn verklaring nu ik al een inschatting kan maken van de kwaliteit van zijn getuigenis."
7. Het middel faalt.
8. Het tweede middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd, voor zover het hof bewezen heeft verklaard dat verdachte opzet had op het bewezenverklaarde misdrijf.
9. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:
"[Betrokkene 1] omstreeks 26 december 2006 te Beverwijk opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft [betrokkene 1] met dat opzet met een vuurwapen in het hoofd van [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 26 december 2006 te Beverwijk opzettelijk middelen heeft verschaft door, nadat [betrokkene 1] op agressieve en dreigende wijze en toon tegen hem, verdachte had gezegd: '[verdachte] waar is mijn pistool, pak mijn pistool [verdachte]', althans woorden van gelijke aard of strekking,
- met [betrokkene 1] de woonwagen te verlaten en naar de achterkant van de woonwagen te gaan en
- op aanwijzingen van die [betrokkene 1] voornoemd wapen van onder de woonwagen tevoorschijn te halen en vervolgens aan [betrokkene 1] te overhandigen."
10. Het arrest bevat - voor zover hier van belang - de volgende bewijsoverweging van het hof:
"Medeplichtigheid en dubbele opzet
De voorgaande overwegingen brengen het hof tot het oordeel dat de verdachte opzettelijk het pistool vanuit de ruimte onder de woonwagen heeft gepakt en aan [betrokkene 1] heeft overhandigd.
Door het wapen aan [betrokkene 1] te geven heeft de verdachte ook voorwaardelijk opzet gehad op de doodslag van het slachtoffer.
Het hof overweegt daartoe dat de verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 1], toen hij op 26 december 2006 de woonwagen binnenkwam woedend en dronken was en aan de verdachte vroeg waar zijn pistool was. Verder heeft de verdachte op 3 januari 2007 verklaard dat, toen [betrokkene 1] en hij ruzie hadden in mei 2006, [betrokkene 1] bij hem aan de deur is gekomen, een pistool bij zich had en hem daarmee heeft bedreigd.(3) Verder heeft de verdachte bij de rechtbank verklaard dat hij [betrokkene 1] in mei 2006 in staat achtte zijn wapen te gebruiken.(4) De verdachte heeft, door onder deze omstandigheden het vuurwapen te pakken en aan [betrokkene 1] te geven, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze vervolgens met dat wapen iemand van het leven zou beroven."
11. Bewezen is verklaard dat verdachte opzettelijk een vuurwapen heeft verschaft tot het plegen van doodslag. Daartoe is vereist dat niet alleen bewezen wordt dat verdachtes opzet gericht was op het verschaffen van een middel als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2°, Sr, doch tevens dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm gericht was op het gronddelict, althans voor zover dat niet volledig het geval was, het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht daarmee voldoende verband moet houden (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7932, NJ 2007/553, HR 13 november 2001, LJN AD4372, NJ 2002/245, HR 22 maart 2011, LJN BO4471).
12. Uit de hierboven, onder 10 weergegeven overweging van het hof blijkt dat het hof van oordeel is dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer; hij heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [betrokkene 1] iemand van het leven zou beroven. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat
- verdachte besefte dat [betrokkene 1] als persoon in staat was een vuurwapen te gebruiken;
- [betrokkene 1] woedend en dronken de woonwagen binnen was gekomen en om zijn pistool vroeg;
- verdachte het pistool heeft gepakt en aan [betrokkene 1] heeft gegeven.
13. De vraag is of het hof uit deze feiten en omstandigheden heeft kunnen afleiden dat verdachte bewust 'de aanmerkelijke kans' heeft aanvaard op de dood van het slachtoffer. Mijn antwoord luidt bevestigend. Door het vuurwapen aan [betrokkene 1] te overhandigen, terwijl hij zag dat [betrokkene 1] op dat moment in woede verkeerde en tevens onder invloed van alcohol was, heeft verdachte, mede gelet op de omstandigheid dat bij hem het besef bestond dat [betrokkene 1] in staat is een vuurwapen te gebruiken, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [betrokkene 1] met dit vuurwapen het slachtoffer van het leven zou beroven. Het middel faalt.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie G.J.M. Cortens, Het Nederlands strafprocesrecht, 6e, blz. 580 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e, blz. 184-185.
2 In HR 19 september 1994, LJN ZC9807, NJ 1995/11 las de Hoge Raad in de overweging 'De rechter ziet geen aanleiding de door verdachte opgegeven getuigen te horen.' toepassing van de juiste maatstaf (noodzaakcriterium).
3 P. 23 en 24 (Persoonsdossier verdachte)
4 Proces-verbaal ter terechtzitting van 3 juli 2007