Art. 81 ROArt. 79 lid 1 ROVerordening (EG) nr. 1206/2001Verdrag van 18 maart 1970 (Haags Bewijsverdrag)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging gemeenschappelijk eigendom bospercelen onder Pools huwelijksvermogensrecht
Deze zaak betreft een verzoek tot scheiding van tafel en bed met nevenvoorzieningen, waaronder de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen volgens Pools recht. Het geschil richt zich op de vraag of twee bospercelen in Polen gemeenschappelijk eigendom zijn.
Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat de bospercelen gemeenschappelijk eigendom zijn en heeft de percelen toegewezen aan de vrouw met de verplichting om de helft van de waarde aan de man te vergoeden. De vrouw kwam hiertegen in cassatie, stellende onder meer dat het hof de bewijskracht van bepaalde akten verkeerd had gewogen.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten geen feitelijke grondslag hebben en dat het hof de bewijsmiddelen naar behoren heeft beoordeeld. Daarnaast wijst de Hoge Raad klachten af die zien op de toepassing van Pools recht en internationale bewijsregels. Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van artikel 81 ROPro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Conclusie
10/02794
Mr L. Strikwerda
Parket, 29 april 2011
conclusie inzake
[De vrouw]
tegen
[De man]
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft een verzoek tot scheiding van tafel en bed met nevenvoorzieningen, waaronder over en weer verzochte nevenvoorzieningen tot vaststelling van de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen waarin partijen (hierna: de vrouw en de man) naar Pools recht zijn gehuwd. In cassatie gaat het hoofdzakelijk om de vraag of een tweetal percelen bosgrond gelegen te [plaats], Polen, voor de helft tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren.
2. Bij zijn thans in cassatie bestreden beschikking van 6 april 2010 heeft het gerechtshof te Amsterdam deze vraag in bevestigende zin beantwoord (r.o. 4.2 onder het hoofdje "Bospercelen [plaats]") en, met vernietiging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2010, de bedoelde bospercelen, voor zover eigendom van partijen, toebedeeld aan de vrouw onder de verplichting om de helft van de waarde aan de man te vergoeden.
3. De vrouw is tijdig tegen de beschikking van het hof in cassatie gekomen met twee middelen. De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij, onder bestrijding van de middelen, de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
4. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 ROPro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
5. Middel 1 bevat, als ik het goed zie, vijf klachten.
6. Als eerste klacht voert het middel aan dat het hof heeft miskend dat de onderhandse akte die de man heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat geen sprake was van schenking maar van aankoop van de bospercelen, geen dwingende bewijskracht heeft krachtens art. 157 e.v. Rv.
7. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof dat geconcludeerd moet worden dat de bospercelen gemeenschappelijk eigendom zijn, is niet gebaseerd op dwingende bewijskracht van de onderhandse akte, maar op de onvoldoende weersproken stelling van de man dat de schenking aan de vrouw en kinderen slechts tot stand is gekomen omdat buitenlanders geen bezit in Polen mochten hebben, en op de niet weerlegde stelling van de man dat voor de bospercelen is betaald.
8. De tweede klacht houdt in dat het hof bij de toepassing van het Poolse huwelijksvermogensrecht geheel is voorbijgegaan aan de inhoud van de Poolse notariële schenkingsakte, althans aan deze akte minder bewijskracht heeft toegekend dan aan de onderhandse akte van koop.
9. Ook deze klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof is aan de schenkingsakte niet voorbijgegaan, doch heeft kennelijk geoordeeld dat de inhoud daarvan niet kan afdoen aan de onweersproken stellingen van de man. Voor zover de klacht er mede toe strekt de bewijswaardering van het hof te bestrijden, kan zij evenmin doel treffen. De waardering van bewijsmiddelen is overgelaten aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt.
10. In de derde plaats klaagt het middel dat (het hof heeft miskend dat) naar Pools recht de notarieel verleden schenkingsakte "van hogere orde is te achten" dan de onderhandse koopakte.
11. De strekking van de klacht is mij niet geheel duidelijk geworden. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof het Poolse recht met betrekking tot de (rangorde in) bewijskracht van notariële en onderhandse akten heeft geschonden, moet zij reeds afstuiten op het bepaalde in art. 79 lidPro 1, aanhef en onder b, RO: over schending van buitenlands recht valt in cassatie niet te klagen. De vraag of het hof daadwerkelijk Pools recht op de onderhavige vraag van bewijsrecht heeft toegepast (en ook behoorde toe te passen) kan verder blijven rusten. Zie meer in het algemeen over het toepasselijk recht op schriftelijk bewijs B.J. van het Kaar, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, diss. 2008, blz. 55 e.v.
12. Als vierde klacht voert het middel aan dat (het hof heeft miskend dat) de man heeft nagelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat partijen gezamenlijk geld in de bospercelen hebben gestoken.
13. De klacht kan niet tot cassatie leiden omdat het hof heeft overwogen dat de vrouw de stelling van de man dat door partijen gezamenlijk is betaald, niet heeft weerlegd en dat het op de weg van de vrouw had gelegen om aan te tonen dat de bedragen vanuit haar privé vermogen zijn voldaan. In deze - in cassatie onbestreden - overwegingen van het hof ligt besloten dat de bewijslast met betrekking tot de vraag door wie de bospercelen zijn betaald op de vrouw rust. Uitgaande van dit oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof niet heeft aangenomen dat het aan de man is om het door de klacht bedoelde bewijs te leveren. De klacht is dus ongegrond.
14. Ten slotte verwijst het middel naar de EG-Bewijsverordening (Verordening (EG) nr. 1206/2001) en het Haags Bewijsverdrag (Verdrag van 18 maart 1970, Trb. 1979, 38) en wil daarmee kennelijk aangeven dat het oordeel van het hof omtrent de bewijskracht van de Poolse notariële (schenkings)akte met die regelingen in strijd is.
15. De klacht kan geen doel treffen omdat zij in het geheel niet aangeeft waarom en in welk opzicht het oordeel van het hof met genoemde internationale regelingen in strijd zou zijn. De klacht voldoet daarom niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen. Vgl. HR 5 november 2010, LJN: BN6196, RvdW 2010, 1328. Overigens zijn de bedoelde regelingen niet van toepassing op de bewijskracht van notariële akten.
16. In middel 2 laten zich twee klachten onderscheiden.
17. De eerste klacht strekt ten betoge dat, wanneer de man als buitenlander geen bezit mocht hebben in Polen, de beschikking en het dictum van het door het hof vastgestelde gezamenlijk eigendom van partijen van onroerend goed in Polen, niet begrijpelijk is.
18. De klacht faalt omdat zij berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Het hof heeft zich niet uitgesproken over de vraag of de man als buitenlander naar Pools recht al dan niet bezit mocht hebben, doch heeft slechts geoordeeld dat in het licht van de onweersproken stellingen van de man geconcludeerd moet worden dat de bospercelen (voor de helft; voor de andere helft behoren de percelen aan de kinderen van partijen in eigendom toe) gemeenschappelijk eigendom zijn, dat wil zeggen in de beperkte gemeenschap van goederen vallen waarin partijen naar Pools recht zijn gehuwd. Dit oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Voor zover de klacht wil betogen dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat het oordeel niet valt te rijmen met het Poolse recht, stuit de klacht af op het bepaalde in het reeds eerder genoemde art. 79 lidPro 1, aanhef en onder b, RO.
19. De tweede klacht houdt in dat het dictum onvoldoende duidelijk is ten aanzien van de vraag om welke bospercelen het gaat.
20. De klacht faalt omdat uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat de vrouw heeft aangevoerd dat tussen partijen onzekerheid bestaat over de bospercelen in geschil, terwijl uit niets blijkt dat het dictum op andere percelen betrekking zou hebben dan de percelen in geschil.
21. Ten slotte behelst het cassatierekest nog een verzoek aan de Hoge Raad om zijn bevoegdheid aan te wenden "om de op Pools recht gebaseerde beschikking van het hof aangaande de toedeling van het woonpand (bedoeld is het pand aan de Ostwaldstraat te Amsterdam, A-G) uitdrukkelijk aan het motiveringsvereiste te toetsen".
22. Voor zover dit verzoek moet worden opgevat als een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof inzake de toedeling van genoemd pand, faalt de klacht omdat zij niet voldoet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen. Het cassatierekest geeft immers niet, althans niet met de vereiste bepaaldheid en precisie, aan welke bezwaren bestaan tegen de motivering op grond waarvan het hof tot zijn beslissing inzake de toedeling van het pand is gekomen. Tot ambtshalve toetsing op motiveringsgebreken is de Hoge Raad gehouden noch bevoegd.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 ROPro.