ECLI:NL:PHR:2011:BQ4182
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing niet-ontvankelijkheid bij niet-tijdige betaling griffierecht in civiele cassatie
In deze zaak staat centraal de vraag hoe de Hoge Raad moet omgaan met niet-tijdige betaling van het griffierecht in civiele cassatieprocedures, zoals geregeld in art. 409a lid 2 Rv. De eiser tot cassatie had het griffierecht niet binnen de wettelijk gestelde termijn betaald, maar alsnog later voldaan. De Hoge Raad onderzoekt of de strikte niet-ontvankelijkheidsregel zonder meer moet worden toegepast of dat ruimte bestaat voor een meer soepele benadering.
De conclusie bespreekt de verschillen tussen civiele en bestuursrechtelijke procedures, waarbij in bestuursrechtelijke zaken een versoepelde praktijk is ontstaan met aanmaningen en herinneringen, mede vanwege het ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging. In civiele cassatie is die praktijk anders en geldt een striktere termijn, maar de Hoge Raad erkent dat onbillijkheid kan ontstaan bij toepassing van de sanctie.
De conclusie adviseert daarom een procedure waarbij de eiser op de eerstvolgende rolzitting wordt geïnformeerd over het niet tijdig betalen van griffierecht en een korte termijn krijgt om te reageren met eventuele omstandigheden die onbillijkheid rechtvaardigen. Dit biedt ruimte voor toepassing van de hardheidsclausule en voorkomt onbillijke uitsluiting zonder onnodige administratieve belasting voor de griffie.
De conclusie benadrukt dat deze aanpak recht doet aan de wettekst en de praktijk, en dat het belangrijk is om de uitzonderingen in art. 409a lid 3 en art. 127a lid 3 Rv. effectief te laten zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad beveelt een procedure waarbij de eiser eerst wordt gehoord over niet-tijdige betaling en onbillijkheid alvorens niet-ontvankelijkheid uit te spreken.