ECLI:NL:PHR:2011:BQ4270

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00634
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 348 SvArt. 350 SvArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest Hof Leeuwarden wegens onjuiste beoordeling ontvankelijkheid OM

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, waarin verdachte was veroordeeld voor overtreding van artikel 37 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het Hof had eerder vrijspraak gegeven voor bepaalde subsidiaire tenlasteleggingen, maar deze vrijspraak werd door de Advocaat-Generaal aangevochten in cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof de zaak ten aanzien van de subsidiaire feiten opnieuw ten gronde moest behandelen, inclusief de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het Hof had echter het verweer van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie onbesproken gelaten met het argument dat het oordeel over ontvankelijkheid onherroepelijk was geworden. De Hoge Raad stelde dat dit een onjuiste rechtsopvatting was, omdat het Hof de zaak opnieuw moest behandelen en dus ook de ontvankelijkheid opnieuw moest beoordelen.

De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het Hof te Leeuwarden voor hernieuwde berechting en afdoening van de subsidiaire tenlasteleggingen, waarbij ook het ontvankelijkheidsverweer in behandeling moet worden genomen. De Hoge Raad benadrukte dat van een verdachte niet kan worden verlangd dat hij cassatie instelt tegen een vrijspraak, waardoor het eerdere oordeel over ontvankelijkheid niet onherroepelijk is geworden.

Deze conclusie leidt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak, zonder dat de Hoge Raad zelf een inhoudelijke beslissing neemt over de ontvankelijkheid of de schuldvraag.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug voor hernieuwde behandeling van ontvankelijkheid en subsidiaire feiten.

Conclusie

Nr. 10/00634
Mr. Hofstee
Zitting: 19 april 2011
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 27 juli 2009 door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens "overtreding van artikel 37 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren", veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft het Hof de teruggave aan verzoeker van 16 paarden en/of pony's en twee honden gelast.
2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Bij arrest van 23 maart 2007 had het Hof te Leeuwarden verzoeker vrijgesproken voor de onder 1, onder 2 primair en subsidiair en onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten. Tegen dit arrest stelde de Advocaat-Generaal bij het Hof op 4 april 2007 cassatie in. Het cassatieberoep richtte zich enkel tegen de gegeven vrijspraak van de onder 2 subsidiair en onder 3 subsidiair tenlastegelegde feiten.
4. De Hoge Raad oordeelde dat het middel terecht was voorgesteld, omdat het Hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten en verzoeker van iets anders had vrijgesproken dan is tenlastegelegd. De beslissing van de Hoge Raad in zijn arrest van 17 februari 2009 luidt als volgt:
"4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak voor zover aan zijn oordeel onderworpen;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan."
5. Op de terechtzitting van het Hof van 13 juli 2009 heeft de raadsvrouw het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar daarbij overgelegde pleitnota met bijlage. Blijkens deze pleitnota is toen namens verzoeker aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Het Hof heeft dit verweer in het thans bestreden arrest als volgt verworpen:
"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde, zoals aangegeven in haar pleitnota op pagina 2 en voldoende onder 1, 2, 3 en 4.
Bij arrest van 23 maart 2007 heeft het hof reeds geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Tegen dit oordeel is geen cassatiemiddel ingesteld en de Hoge Raad heeft het voornoemde arrest van dit hof slechts vernietigd voor zover dit betreft de vrijspraken van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde. Het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid is derhalve onherroepelijk geworden. Derhalve zal het hof de gevoerde ontvankelijkheidsverweren niet verder bespreken."
6. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer waarin de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt bepleit. Door te overwegen dat het oordeel van het Hof over de ontvankelijkheid onherroepelijk is geworden, heeft het Hof (bovendien) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
7. De steller van het middel heeft een punt. Voor zover aan zijn oordeel was onderworpen heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof van 23 maart 2007 vernietigd en de zaak teruggewezen naar het Hof ten einde de zaak in zoverre - met betrekking tot feit 2 subsidiair en feit 3 subsidiair - op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. Dit houdt in dat het Hof het onderzoek in hoger beroep in zijn geheel - als gezegd ten aanzien van de onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten - opnieuw had moeten aanvangen en voltooien. Aldus had het Hof ter zake de aan zijn oordeel onderworpen feiten opnieuw de bestreden ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moeten beoordelen. Gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat de ontvankelijkheid onherroepelijk is geworden van een onjuiste rechtsopvatting.(1)
8. Verder merk ik op dat de overweging van het Hof dat geen cassatiemiddel is ingediend tegen het eerdere oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is, niet begrijpelijk is voor zover het de strafvorderlijke positie van verzoeker aangaat. Daarbij neem ik in aanmerking dat inzake het arrest van het Hof van 23 maart 2007 i) het beroep in cassatie was ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof en ii) van een verdachte redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij beroep in cassatie instelt tegen een vrijspraak.
9. Het middel slaagt.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie Melai/Groenhuijsen e.a., Het Wetboek van Strafvordering, aant. 10 op art. 440 Sv Pro (bewerkt door M.K.T. Tjiong, bij t/m 1 april 2004) en HR 26 mei 1987, LJN AC9867, NJ 1988, 261, rov. 5.5. m.nt. Corstens.