ECLI:NL:PHR:2011:BQ4306
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontoelaatbaarheid uitlevering wegens onvoldoende bewijsmateriaal in strafrechtelijk onderzoek VS
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Verenigde Staten in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank Middelburg verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar omdat het overgelegde bewijsmateriaal onvoldoende was om de aanhouding en dagvaarding te rechtvaardigen volgens de Nederlandse maatstaf. Dit bewijsmateriaal was geheel afkomstig van één bron, een minderjarige betrokkene, zonder aanvullend ondersteunend bewijs.
De Hoge Raad overweegt dat de maatstaf voor het beoordelen van het bewijsmateriaal bij uitlevering gelijk is aan die bij een bezwaarschrift tegen dagvaarding, namelijk dat het niet hoogst onwaarschijnlijk mag zijn dat een strafrechter later de tenlastelegging geheel of gedeeltelijk bewezen acht. De rechtbank heeft niet onjuist geoordeeld door deze maatstaf toe te passen, maar heeft wel een verkeerde rechtsopvatting gehanteerd door te veronderstellen dat het bewijsminimum voor een veroordeling moet zijn aangetoond.
De Hoge Raad stelt dat de uitleveringsrechter in beginsel niet kan toetsen of aan het bewijsminimum is voldaan en dat het ontbreken van aanvullend bewijs niet automatisch betekent dat een veroordeling onhaalbaar is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het cassatieberoep van de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk. De zaak wordt terugverwezen voor nadere behandeling en het horen van de opgeëiste persoon.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk, waarna de zaak wordt terugverwezen voor nadere behandeling.