ECLI:NL:PHR:2011:BQ4672

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01348
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 423 SvArt. 6 EVRMArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens ontoereikende motivering bewezenverklaring en terugwijzing zaak

In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het vonnis van de rechtbank te Rotterdam bevestigd, waarbij verdachte werd veroordeeld voor doodslag, poging tot doodslag en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. De verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest.

Het eerste middel van cassatie betrof de klacht dat het hof ten onrechte volstond met een opgave van bewijsmiddelen in de motivering van de bewezenverklaring, terwijl de raadsman van verdachte tijdens de behandeling in hoger beroep vrijspraak had bepleit. Volgens artikel 359 lid 3 Sv Pro is een opgave van bewijsmiddelen alleen toereikend indien de verdachte het bewezen verklaarde niet heeft betwist of vrijspraak heeft bepleit.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat in dit geval volstaan kon worden met een opgave van bewijsmiddelen, omdat de raadsman van verdachte juist vrijspraak had bepleit. Hierdoor is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd en moet het arrest worden vernietigd.

Het tweede middel betrof een klacht over overschrijding van de redelijke termijn, maar deze wordt niet behandeld omdat de zaak wordt terugverwezen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling in hoger beroep, waarbij de benadeelde partijen hun vorderingen opnieuw kunnen indienen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontoereikende motivering van de bewezenverklaring en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 10/01348
Mr. Aben
Zitting 26 april 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 12 oktober 2009 het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 23 december 2008 bevestigd, met aanvulling en verbetering van gronden zoals weergegeven in het arrest. Het gerechtshof heeft de verdachte ter zake van de bij dat vonnis bewezen verklaarde feiten, gekwalificeerd als onder 1. "doodslag", 2. "poging doodslag, meermalen gepleegd" en 3. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren. Voorts heeft het hof, met aanvulling en verbetering, de beslissingen van de rechtbank voor wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] bevestigd.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie. Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft mr. S.M. den Hollander, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3.1. Het eerste middel behelst naar de kern genomen de klacht dat de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis bij de motivering van de bewezenverklaring ten onrechte en in strijd met artikel 359 lid 3 Sv Pro heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
3.2. Ten laste van de verdachte is bij het bevestigde vonnis bewezenverklaard dat:
'1.
hij op 30 december 2006 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen een kogel afgeschoten op [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;
2.
hij op 30 december 2006 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opdat, meermalen, met een vuurwapen kogel(s) heeft afgeschoten op en in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid,
3.
hij op 30 december 2006 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categoerie Pro III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Hvratski, model 2000, kaliber 9mm
En
munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid Pro 2, van de Categorie III van die wet, te weten een of meer kogelpatronen kaliber 9mm Parabellum, voorhanden heeft gehad.'
3.3. De bijlage met bewijsmiddelen bij het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt, voor zover ter beoordeling van het middel van belang, slechts 'een opgave' van de bewijsmiddelen in. Noch het bevestigde vonnis, noch het arrest bevat een uitwerking van de bewijsmiddelen.
3.4. Voor zover relevant houdt het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep d.d. 28 september 2009 op pagina 4 in dat de raadsman 'primair vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde aangezien de verdachte geen opzet - ook niet in voorwaardelijke zin - heeft gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer 2] en van de slachtoffers [slachtoffer 1 en 3].'
3.5. Art. 359, derde lid, Sv luidt:
"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."
3.6. Uit de bewoordingen van artikel 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden, indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval - door bevestiging van het vonnis van de rechtbank - kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv, is onjuist. De raadsman heeft immers blijkens het onder 3.4 weergegevene vrijspraak bepleit. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd.(1)
3.7. Het middel is terecht voorgesteld.
4.1. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
4.2. Deze klacht kan onbesproken worden gelaten, nu ik zal concluderen tot vernietiging van het bestreden arrest en tot een nieuwe berechting. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld (HR 17 juni 2008, LJN BD2578, r.o. 3.5.3.).
5. Nu het eerste middel gegrond is en ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak zal concluderen, behoeven de door de benadeelde partij Eudoxie ingediende middelen geen bespreking.(2) De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen bij de nieuwe behandeling van de zaak opnieuw voorleggen aan het hof. Mocht de Hoge Raad hier anders over denken, dan ben ik uiteraard tot aanvullend concluderen bereid. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak dienen te leiden heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak tot terugwijzing van de zaak opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 18 april 2006, LJN AV1146, NJ 2006, 645.
2 Dit leid ik af uit HR 9 december 2008, LJN BD 2775, NJ 2009, 157.