ECLI:NL:PHR:2011:BQ4723
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening strafrechtelijke veroordeling wegens onjuiste ongewenstverklaring vreemdeling
Aanvrager, houder van de Turkse nationaliteit, werd op 29 november 2007 door het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) tot ongewenste vreemdeling verklaard. Op 6 maart 2009 veroordeelde de politierechter aanvrager tot drie maanden gevangenisstraf wegens het verblijven in Nederland terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenste vreemdeling was verklaard.
Later bleek uit een brief van het hoofd van de IND van 31 maart 2010 dat aanvrager sinds 7 september 1983 onafgebroken in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, waardoor de beschikking tot ongewenstverklaring niet had mogen worden gegeven. Dit leidde tot het ernstige vermoeden dat de politierechter, indien hij op de hoogte was geweest van deze feiten, aanvrager had moeten vrijspreken.
De Hoge Raad concludeert dat de beschikking tot ongewenstverklaring als nooit gegeven moet worden beschouwd en verklaart de herzieningsaanvraag gegrond. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling op grond van art. 467, eerste lid, Sv. Tevens wordt, indien nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis bevolen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak voor hernieuwde behandeling naar het gerechtshof.