ECLI:NL:PHR:2011:BQ4723

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04759 H
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 VreemdelingenwetArt. 197 SrArt. 467 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening strafrechtelijke veroordeling wegens onjuiste ongewenstverklaring vreemdeling

Aanvrager, houder van de Turkse nationaliteit, werd op 29 november 2007 door het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) tot ongewenste vreemdeling verklaard. Op 6 maart 2009 veroordeelde de politierechter aanvrager tot drie maanden gevangenisstraf wegens het verblijven in Nederland terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenste vreemdeling was verklaard.

Later bleek uit een brief van het hoofd van de IND van 31 maart 2010 dat aanvrager sinds 7 september 1983 onafgebroken in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, waardoor de beschikking tot ongewenstverklaring niet had mogen worden gegeven. Dit leidde tot het ernstige vermoeden dat de politierechter, indien hij op de hoogte was geweest van deze feiten, aanvrager had moeten vrijspreken.

De Hoge Raad concludeert dat de beschikking tot ongewenstverklaring als nooit gegeven moet worden beschouwd en verklaart de herzieningsaanvraag gegrond. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling op grond van art. 467, eerste lid, Sv. Tevens wordt, indien nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis bevolen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak voor hernieuwde behandeling naar het gerechtshof.

Conclusie

Nr. 10/04759 H
Mr Jörg
Zitting 26 april 2011
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. De politierechter in de rechtbank te Rotterdam heeft bij vonnis van 6 maart 2009 aanvrager ter zake van "als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
2. Deze zaak hangt samen met de herzieningsaanvragen van aanvrager met griffienummers S 10/04757 H en S 10/04760 H waarin ik heden eveneens concludeer.
3. Namens de aanvrager heeft mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat te 's-Hertogenbosch, een aanvrage tot herziening van bovenvermeld vonnis ingediend.
4. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de politierechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken van de ten laste gelegde overtreding van art. 197 Sr Pro indien deze ermee bekend zou zijn geweest dat aanvrager niet tot ongewenst vreemdeling verklaard had kunnen worden en om die reden de beschikking tot ongewenstverklaring zou worden ingetrokken.
5. De stukken van het geding en de aan de aanvrage gehechte stukken houden, voor zover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, het volgende in.
(i) Aanvrager, in het bezit van de Turkse nationaliteit, is bij beschikking van het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), namens de Staatssecretaris van Justitie, van 29 november 2007 op grond van art. 67, eerste lid aanhef en onder c, Vreemdelingenwet tot ongewenste vreemdeling verklaard.
(ii) Bij vonnis van de politierechter van 6 maart 2009 is aanvrager veroordeeld voor het hiervoor onder 1 vermelde op 15 december 2008 gepleegde feit.
(iii) Blijkens de brief van 31 maart 2010 van het hoofd van de IND, namens de Minister van Justitie, gericht aan Collet Advocaten te 's-Hertogenbosch wordt aanvrager geacht van 7 september 1983 tot aan heden immer in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en had aanvrager aldus niet tot ongewenst vreemdeling verklaard kunnen worden.
6. Op grond van het voorgaande moet ervan uit worden gegaan dat de beschikking tot ongewenstverklaring van 29 november 2007 geacht moet worden nimmer te zijn gegeven.(1) Dit levert het ernstig vermoeden op dat de politierechter, ware deze met de brief van 31 maart 2010 en de daarin vervatte overwegingen bekend geweest, aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 6 maart 2009 zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Vgl. HR 25 september 2007, LJN BA7935 en HR 10 februari 1987, NJ 1987/848 m.nt. Corstens.