ECLI:NL:PHR:2011:BQ4831
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging omgangsregeling vastgesteld door Engelse rechter in familierechtelijke procedure
De zaak betreft een verzoek tot wijziging van een omgangsregeling tussen een vader en zijn zoon, oorspronkelijk vastgesteld door een Engelse rechter. De vader woont in Groot-Brittannië en de moeder in Nederland, waar het kind verblijft onder het eenhoofdig gezag van de moeder. De moeder verzocht de Nederlandse rechtbank om de omgangsregeling op te schorten vanwege vermoedens van misbruik.
Na onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en diverse beslissingen van de rechtbank en het gerechtshof, werd het omgangsrecht van de vader tijdelijk ontzegd. De vader ging hiertegen in cassatie bij de Hoge Raad. Deze oordeelde dat het cassatieberoep moest worden verworpen omdat de ontzeggingstermijn inmiddels was verstreken.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad klachten over het onderzoek door de raad, het ontbreken van een gerechtstolk en de procedurele behandeling van de zaak. Deze klachten werden verworpen. De Hoge Raad bevestigde tevens dat de Nederlandse rechter bevoegd is om een buitenlandse omgangsregeling te wijzigen, ook als deze door een Engelse rechter is vastgesteld, en dat het Nederlandse recht daarbij van toepassing is.
De Hoge Raad benadrukte dat internationale verdragen en verordeningen, zoals Brussel IIbis en het Haags Kinderbeschermingsverdrag, de Nederlandse rechter deze bevoegdheid geven, en dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind hieraan niet in de weg staan.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep moet worden verworpen, hetgeen de Hoge Raad volgde.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de ontzegging van het omgangsrecht blijft van kracht.