ECLI:NL:PHR:2011:BQ5082
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing uitzonderingsregel Ragetlie bij opvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en Stichting Cardia over de beëindiging van een opvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werknemer was eerst bestuurder bij Stichting Onderwatershof en trad per 1 september 2007 terug, waarna hij adviseur werd bij Cardia, die een personele unie vormde met Onderwatershof. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd liep tot 30 juni 2008, maar Cardia betaalde vanaf 1 juli 2008 geen salaris meer en beschouwde de overeenkomst als geëindigd.
De werknemer stelde dat op grond van art. 7:667 lid 4 BW Pro (de Ragetlie-regel) de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege eindigde, maar slechts kon worden beëindigd door voorafgaande opzegging. Het hof oordeelde echter dat de opvolgende arbeidsovereenkomst wezenlijk verschilde van de vorige en dat de uitzonderingsregel daarom niet van toepassing was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het verweer dat de regel toch zou gelden indien de werkgever de werknemer niet toelaat tot de bedongen werkzaamheden.
De Hoge Raad benadrukte dat de Ragetlie-regel bedoeld is ter ontslagbescherming en niet om de werkgever te verplichten de werknemer daadwerkelijk te laten werken. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigde daarom van rechtswege op de overeengekomen datum. Het beroep van de werknemer werd verworpen.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigde van rechtswege op 30 juni 2008 zonder dat voorafgaande opzegging vereist was.