ECLI:NL:PHR:2011:BQ5101

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03493
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing werkgeversaansprakelijkheid bij twee arbeidsongevallen

Eiser vordert vaststelling van werkgeversaansprakelijkheid voor schade door twee arbeidsongevallen. De Kantonrechter wijst de vordering af en het hof bekrachtigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat het eerste ongeval buiten het normale verwachtingspatroon valt, zodat de werkgever geen maatregelen hoefde te treffen. Tevens is onvoldoende aannemelijk dat de werkgever rekening had moeten houden met het reflexieve handelen van eiser.

Voor het tweede ongeval oordeelt het hof dat geen afwijkingen zijn gevonden en dat het causaal verband tussen het ongeval en de pijnklachten niet is vastgesteld. De medische rapporten ondersteunen dit oordeel. Eiser heeft dit niet effectief betwist. Het hof mocht bovendien een vaag bewijsaanbod passeren.

De Hoge Raad benadrukt dat cassatie zich beperkt tot de toetsing van rechtsvragen en niet tot feitelijke beoordeling. Het feitelijke oordeel van het hof dat de stellingen van eiser vaag en ongeloofwaardig zijn, kan in cassatie niet worden aangetast. De conclusie is dat het beroep van eiser ongegrond is en wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aansprakelijkheid van de werkgever wordt afgewezen.

Conclusie

10/03493
mr. J. Spier
Zitting 13 mei 2011 (bij vervroeging)
Verkorte conclusie inzake
[Eiser]
(hierna: [eiser])
tegen
[Verweerster]
(hierna: [verweerster])
1. Deze procedure strekt ertoe de aansprakelijkheid van [verweerster] te doen vaststellen voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden ter zake van twee arbeidsongevallen.
2. De vordering is door de Kantonrechter Nijmegen afgewezen. Zijn vonnis is in het thans (tijdig) bestreden arrest bekrachtigd.
3. 's Hofs oordeel nopens het eerste ongeval komt er op neer dat veronderstellenderwijs uitgaande van de lezing van [eiser] sprake is van een zodanig buiten het normale verwachtingspatroon liggend handelen (ongeval) dat de werkgever daarmee geen rekening behoefde te houden. Aldus brengt het Hof tot uitdrukking dat de werkgever geen maatregelen behoefde te treffen met het oog op voorkoming van dergelijk handelen.
4.1 Dat 's Hofs oordeel moet worden verstaan als vermeld onder 3 blijkt voldoende duidelijk uit rov. 3.8, gelezen in samenhang met rov. 3.6 waar rov. 3.8 naar verwijst. Het Hof bekeert zich in rov. 3.8 tot het in rov. 3.6 samengevatte oordeel van de Kantonrechter. Dat laatste komt er, in 's Hofs weergave, op neer dat de wijze waarop [eiser] stelt te hebben gereageerd op de gebeurlijkheden die in zijn lezing zouden hebben plaatsgevonden, voor de werkgever "redelijkerwijs niet te voorzien" was.
4.2 De Kantonrechter wees er daarbij nog op dat niets (lees: nuttigs) is aangevoerd "over de grootte van de kans op een ongeval als [eiser] stelt dat hem is overkomen", waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat niets te berde is gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het pretense gevolg van de beweerde gebeurtenissen wél redelijkerwijs voorzienbaar waren.
5. Mrs Dempsey en Tellingen wijzen er in hun s.t. onder 2.2.1 terecht op dat het eerste onderdeel (de s.t. van [eiser] spreekt over middel) faalt omdat het 's Hofs onder 4 weergegeven gedachtegang miskent. Het onderdeel gaat er immers, maar abusievelijk, vanuit dat 's Hofs oordeel is gesteld in de sleutel der causaliteit.
6. Het onderdeel kant zich voorts tegen 's Hofs terloopse kanttekening dat "er geen reden is aan te nemen dat het materiaal niet in orde was". Voor zover het Hof daarmee iets anders tot uitdrukking wil brengen als vermeld onder 4 is zijn oordeel daarop niet gebaseerd. Ware dat al anders dan zou het [eiser] niet kunnen baten omdat:
a. sprake is van een feitelijk en in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk oordeel;
b. een heel onaannemelijke stelling van de werknemer, die door de werkgever wordt bestreden, ertoe kan leiden dat de bewijslast op de werknemer komt te rusten.(1)
7. Als ik het goed zie dan beoogt de laatste alinea van blz. 2 van de cassatiedagvaarding het onder 6 sub b genoemde oordeel te bestrijden onder verwijzing naar een verklaring van [verweerster] ter comparitie in prima. Daaruit valt evenwel niet op te maken dat sprake is van een meer dan theoretische kans. In elk geval heeft het Hof die passage niet anders behoeven te begrijpen. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Bovendien is het, als gezegd, niet dragend.
8.1 In zijn s.t. ontwikkelt mr Aantjes op blz. 3 i.f. en 4 nog een nieuwe klacht die inhaakt op de ook in feitelijke aanleg gestelde omstandigheid dat [eiser] "in een reflex handelde". Nu deze klacht in het middel niet is te vinden, zal eraan voorbij moeten worden gegaan. Eens temeer nu [verweerster] de rechtsstrijd op dit punt niet is aangegaan. Bovendien zou deze omstandigheid [eiser] m.i. alleen hebben kunnen baten als [verweerster] er redelijkerwijs rekening mee had moeten houden dat van zodanig pretens reflexief handelen sprake zou kunnen zijn. Dát is evenwel niet gesteld, laat staan dat op zo'n stelling beroep wordt gedaan.
8.2 Los hiervan: het Hof geeft de onder 8.1 genoemde stelling weer in rov. 3.7. Uit rov. 3.8 moet m.i. worden opgemaakt dat het Hof haar verwerpt, allicht om de onder 8.1 genoemde reden.
9. In rov. 3.9 bespreekt het Hof de aansprakelijkheid ter zake van het tweede ongeval. Daaromtrent oordeelt het Hof dat [eiser] niet heeft bestreden dat a) geen afwijkingen zijn gevonden en b) "de oorzaak van de pijnklachten niet valt vast te stellen".
10. Het onder 9 sub b genoemde oordeel wordt niet bestreden. Het kan 's Hofs oordeel dragen.
11. Bovendien is dit laatste oordeel feitelijk en in het licht van de door de Kantonrechter in het eindvonnis geciteerde medische verklaringen niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat [eiser] arbeidsongeschikt is bevonden. Daaruit volgt immers allerminst dat er een verband bestaat tussen die arbeidsongeschiktheid en het tweede ongeval. Van dat verband zal [eiser] het moeten hebben als aansprakelijkheid ter zake het beweerde eerste ongeval ontbreekt.
12. Anders dan [eiser] veronderstelt, is 's Hofs oordeel niet uitsluitend gegrond op de gedachte dat "geen afwijkingen zijn gevonden". Voor zover het onderdeel al een voldoende begrijpelijke en specifieke klacht tegen dit oordeel behelst, mislukt het. Weliswaar is m.i. juist dat de enkele omstandigheid dat geen afwijkingen kunnen worden vastgesteld niet noodzakelijkerwijs meebrengt dat een condicio sine qua non-verband niet kan worden aangetoond/aangenomen, maar in zo'n geval past wel grote voorzichtigheid.(2)
13. Voor zover het onderdeel nog ten strijde trekt tegen passering van het bewijsaanbod is het geen beter lot beschoren. Het Hof mocht het bewijsaanbod immers geredelijk passeren. Niet alleen omdat dit uitmunt door vaagheid, maar vooral omdat het hier gaat om een kwestie die alleen door deskundigen kan worden opgehelderd. Volgens vaste rechtspraak is de feitenrechter niet gehouden deskundigenonderzoek te bevelen.(3)
14. Het middel behelst - in mijn ogen gezien het voorafgaande niet onbegrijpelijk - niet de klacht dat het condicio sine qua non-verband onvoldoende aannemelijk is om verwijzing naar de schadestaatprocedure te rechtvaardigen.
15. Ook hier probeert de s.t. enkele klachten binnen te smokkelen. Te weten door te wijzen op de op blz. 4 genoemde verklaringen. Het middel behelst daaromtrent evenwel niets zodat ik er niet op in behoef te gaan.
16. Voor zover nodig sta ik nog stil bij de uiteenzettingen waarop het onderdeel zich specifiek beroept.
17.1 Op blz. 5 van de inleidende dagvaarding is niet te lezen dat [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval is uitgevallen.
17.2 Vervolgens wijst het onderdeel op een brief van [verweerster]' medisch adviseur Klop van 20 december 2006 (prod. 5 bij cvd). De Kantonrechter heeft die brief in rov. 4.3 en de daarop voortbouwende rov. 4.4 van het eindvonnis uitdrukkelijk betrokken in zijn oordeel. Uit alle in rov. 4 genoemde medische rapporten heeft de Kantonrechter de conclusie getrokken dat geen afwijkingen zijn gevonden en dat de oorzaak van de aanhoudende pijnklachten niet valt vast te stellen. Volgens het Hof heeft [eiser] nagelaten dat te betwisten, wat, zoals we hebben gezien, niet wordt bestreden. Het onderdeel geeft niet (laat staan: nauwkeurig) aan waarom op basis van deze brief 's Hofs oordeel anders had moeten uitvallen. Dat ligt ook niet voor de hand, zeker niet in het licht van het partijdebat en de andere medische rapporten. In de betreffende brief kunnen aanknopingspunten gevonden worden die voor het standpunt van [eiser] pleiten; evenzo kan in de brief steun gevonden worden voor 's Hofs oordeel. Ter illustratie van dat laatste:
"In ieder geval is er bij uitgebreid onderzoek niets aan de betreffende arm gevonden (..). In feite is er dan ook geen reden voor de pijnklachten. Een medisch causaal verband is er niet. (..)
Op basis van de nu voorliggende medische informatie is er geen aanleiding voor de klachten en zijn er geen aanwijzingen dat het ongeval van september 2002 zou kunnen hebben geleid tot blijvende schade."
17.3 Voorts wijst het onderdeel op een brief van Klop van 12 november 2007. Waarom die brief het Hof ertoe had moeten brengen aan te nemen dat [eiser] "letsel heeft bekomen"en "in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden", is zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet duidelijk. Uit de brief volgt op geen enkele wijze dat [eiser] ten gevolge van het tweede arbeidsongeval schade heeft geleden, of dat er een causaal verband zou bestaan tussen het tweede ongeval en de door [eiser] gestelde schade.
17.4 Ten slotte wordt beroep gedaan op de brief van [eiser]' medisch adviseur van 29 oktober 2007(4) waarin op de tweede bladzijde laatste gedachtestreepje zou worden gewezen op het feit dat, ook al zijn geen afwijkingen gevonden, maar dat toch sprake kan zijn van ernstige functionele invaliditeit. Dat staat er inderdaad, maar het kan [eiser] m.i. niet baten. Alleen al niet omdat uit de brief in het geheel niet blijkt dat de opmerking betrekking heeft op een mogelijk verband tussen het beweerde tweede ongeval en [eiser]' klachten.
18.1 Ten overvloede: het is een hele stap - en voor mij ook vrij ongebruikelijk - om in een letselschadezaak verkort te concluderen. Ik zeg daarmee niet dat [eiser] inhoudelijk ongelijk heeft. Daar gaat het in cassatie evenwel niet om; ik spreek er dan ook geen eigen oordeel over uit (en heb dat ook niet). In ons wettelijk stelsel gaat het in cassatie slechts om de vraag of het bestreden arrest bestand is tegen de cassatieklachten. Feitelijke kwesties behoren niet tot het domein van de cassatierechter.
18.2 Zowel het eindvonnis van de Kantonrechter als 's Hofs arrest maken duidelijk dat geen geloof wordt gehecht aan het relaas van [eiser]. De Kantonrechter heeft [eiser] ter comparitie gehoord. Hij heeft zich ook een demonstratie laten geven van de beweerdelijk ondeugdelijke werking van - kort gezegd - het voertuig. Dat ook het Hof [eiser]' stellingen weinig plausibel acht, wordt tot uitdrukking gebracht door het oordeel dat zij erg vaag zijn (slot van rov. 3.7 en van rov. 3.8).
18.3 In feitelijke aanleg heeft [eiser] zich begeven in uitvoerige en interessante judische uiteenzettingen. Met betrekking tot de feiten is hij rijkelijk sober. Verklaringen van aanwezigen bij degewraakte gebeurtenissen zijn niet overgelegd. Dat behoefde [eiser] natuurlijk niet te doen. Maar het kan hem, retrospectief bezien, opbreken als in het dossier te weinig concrete aanknopingspunten zijn te vinden voor zijn door Kantonrechter en Hof in twijfel getrokken stellingen.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 HR 25 mei 2007, LJN BA3017, NJ 2008, 463 rov. 3.4.3.
2 Vgl. HR 9 januari 2009, LJN BG4014, RvdW 2009, 173 rov. 3.3.2 en mijn conclusies voor HR 9 januari 2009, LJN BF8875, RvdW 2009, 172 onder 3.3.1 e.v. en in de zaak met rolnr 10/00430 onder 5.55.
3 In gelijke zin s.t. mrs Dempsey en Tellingen onder 3.3.1.
4 Bedoeld zal wel zijn de brief overgelegd bij brief van mr Aarts van 5 november 2007.