Voor de bewezenverklaring maakt het hof geen gebruik van de verklaring van verdachte zoals zij deze op 11 februari 2008 bij de sociale recherche van de afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen heeft afgelegd. Dat brengt mee dat hetgeen in onderdeel 1 van het verweer is aangevoerd kan blijven rusten.
Tijdens de zitting van de politierechter in de rechtbank Arnhem op 24 december 2008 heeft verdachte verklaard dat zij en haar partner, [medeverdachte], elkaar drie of vier keer per week zien en dat haar partner in de weekeinden blijft slapen. Daarnaast heeft [medeverdachte] tijdens zijn verhoor op 11 februari 2008 bij de sociale recherche van de afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen verklaart dat hij staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [woonplaats] en dat op een zeker moment op nummer [2] als zijn buurvrouw kwam te wonen: [verdachte] (verdachte). [Medeverdachte] heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat zij vanaf medio 2001 veelvuldig bij elkaar kwamen en regelmatig bij elkaar sliepen, en dat uit deze relatie een zoon is geboren. Voorts heeft [medeverdachte] verklaard dat hij, sinds verdachte begin 2005 was verhuisd naar de [a-straat 1] te [woonplaats], regelmatig bij haar blijft slapen, soms drie à vier keer per week, soms korter, maar soms ook vaker. Hij heeft verklaard dat hij in de weekenden vaak bij verdachte is, en ook wel bij haar slaapt, maar niet altijd. In februari 2006 is uit hun relatie een tweede kind geboren.
In aanvulling op deze verklaringen van verdachte en haar partner zelf blijkt uit het proces-verbaal van de sociale recherche van de afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen, dat tijdens het strafrechterlijk onderzoek in deze zaak in de periode januari - februari 2008 verschillende buren in de straat van verdachte, [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], hebben verklaard dat verdachte en [medeverdachte] met de twee kinderen al geruime tijd samenwonen als een gezin. Ook heeft [getuige 4], wonende aan de [b-straat], verklaard dat naast hem, op de [b-straat 1], een Marokkaanse jongen woont en dat hij de man die er eigenlijk thuishoort niet veel ziet. Het hof is van mening dat genoemde verklaringen voldoende zijn geconcretiseerd. Tenslotte heeft de werkgever van [medeverdachte], [betrokkene 3], tegen de sociale recherche verklaard dat [medeverdachte], in geval van ziekmelding, twee verschillende adressen opgaf, waaronder het adres aan de [a-straat 1]. Het feit dat in het proces-verbaal van de sociale recherche staat vermeld dat hierbij door de werkgever als tweede adres zou zijn genoemd: de [b-straat 2] - zijnde het oude adres van verdachte - berust, zo neemt het hof aan, mogelijk op een schrijffout. Voor zover hier [b-straat 1] zou zijn bedoeld doet dat aan het hiervoor overwogene niet af.
Gelet op bovenstaande is hof van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, moet worden geconcludeerd dat verdachte en haar partner tijdens de tenlastegelegde periode duurzaam een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd dan wel een economische eenheid hebben gevormd.
Het verweer wordt verworpen."