ECLI:NL:PHR:2011:BQ5730

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03845
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77k SrArt. 9.1 SrArt. 51b SvArt. 51c SvArt. 51d Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof inzake schadevergoeding en tenuitvoerlegging voorwaardelijke jeugddetentie

In deze zaak heeft het hof de verdachte veroordeeld voor verduistering en valsheid in geschrift en de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, waarbij deze werd omgezet in een gevangenisstraf. Tevens wees het hof een schadevergoedingsvordering van de benadeelde partij deels toe.

De Hoge Raad constateert dat het hof ten onrechte op de vordering van de benadeelde partij heeft beslist terwijl deze zich niet opnieuw in hoger beroep heeft gevoegd, wat strijdig is met artikel 421, derde lid, Sv. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het betreft de toewijzing van de schadevergoeding.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof onjuist toepassing gaf aan artikel 77k Sr door de voorwaardelijke jeugddetentie om te zetten in gevangenisstraf. De Hoge Raad vernietigt ook dit onderdeel van het arrest en verwijst naar eerdere jurisprudentie dat bij tenuitvoerlegging van voorwaardelijke jeugddetentie art. 77k Sr niet van toepassing is.

De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen voor deze punten, waarbij de schadevergoedingsvordering wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid en de tenuitvoerlegging wordt verstaan als gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zonder omzetting in gevangenisstraf.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de schadevergoeding en tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie; de Hoge Raad wijst de schadevergoeding af en herstelt de tenuitvoerlegging zonder omzetting in gevangenisstraf.

Conclusie

Nr. 09/03845
Mr. Jörg
Zitting 17 mei 2011
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 11 augustus 2009 verzoeker wegens verduistering en valsheid in geschrift van een OV-jaarkaart veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf. Tevens heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van zes maanden en deze omgezet in een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 31,76 met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
2. Namens verzoeker heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Deze zaak hangt samen met een andere strafzaak tegen verzoeker (nr. 09/03846), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.
4. Het eerste middel klaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2009 houdt omtrent de vordering van de benadeelde partij het volgende in:
"De oudste raadsheer merkt op dat de politierechter niet heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij.
De raadsman merkt op dat hij niet op de hoogte is van deze vordering.
De oudste raadsheer deelt mede dat de vordering deel uitmaakt van het dossier, zodat het vonnis om die reden is uitgewerkt.
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld de vordering van de benadeelde partij in te zien.
Desgevraagd door de voorzitter deelt de advocaat-generaal mede dat, nu de vordering tijdig is ingediend, deze ontvankelijk is in hoger beroep.
De raadsman deelt desgevraagd mede:
Primair dient de vordering te worden afgewezen, omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Subsidiair ben ik van mening dat de vordering niet-ontvankelijk is, nu de schade niet in rechtstreeks verband staat met de feiten, omdat dat ziet op diefstal. Cliënt is in eerste aanleg niet veroordeeld voor diefstal maar voor de meer subsidiair tenlastegelegde verduistering."
6. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 31,76 en in zoverre een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, en dienaangaande in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:
"In het dossier bevindt zich een voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde partij] van 15 juli 2007 - die blijkens een stempelafdruk op genoemde brief - op 18 juli 2007 bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage is binnengekomen.
Naar 's hofs oordeel heeft de benadeelde partij zich gevoegd op 18 juli 2007 en derhalve tijdig vóór de zitting van 25 augustus 2008. De politierechter had ten aanzien van deze vordering dan ook een beslissing dienen te nemen, hetwelk niet is geschied.
Nu de benadeelde partij zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b, eerste lid, Wetboek van Strafvordering heeft gevoegd, zal het hof ten aanzien van deze vordering - welke geacht wordt door de politierechter te zijn afgewezen - alsnog een beslissing nemen.
Blijkens voornoemd voegingsformulier heeft de benadeelde partij een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 201,76.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van EUR 31,76 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 31,76 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.
Het hof is voorts van oordeel dat het causale verband tussen de overige door de benadeelde partij gestelde materiële schade en het onder 1 bewezenverklaarde ontbreekt. De vordering zal derhalve voor dat deel worden afgewezen.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
(...)
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 31,76 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]."
7. Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij zich conform het bepaalde in (het toen geldende) art. 51b, eerste lid, Sv in eerste aanleg in het strafgeding heeft gevoegd en dat in eerste aanleg ten onrechte niet op die vordering is beslist. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat, nu de politierechter in de rechtbank niet op die vordering heeft beslist, die vordering in eerste aanleg niet is toegewezen. De benadeelde partij had zich derhalve ingevolge art. 421, derde lid, Sv opnieuw in hoger beroep moeten voegen, binnen de grenzen van haar eerste vordering. De stukken van het geding houden niet in dat de benadeelde partij - hoewel daartoe in kennis gesteld - te kennen heeft gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven en zich aldus in hoger beroep opnieuw te voegen, terwijl het hof dienaangaande ook niets heeft vastgesteld zodat het ervoor gehouden moet worden dat de benadeelde partij de vordering niet heeft willen handhaven in hoger beroep. Met het oordeel van het hof dat het alsnog kan beslissen op de in eerste aanleg gedane vordering heeft het hof dan ook het bepaalde in art. 421, derde lid Sv miskend (vgl. HR 10 mei 2005, LJN AT1812). Het middel slaagt.
8. Heeft dit gevolgen voor de opgelegde schadevergoedingsmaatregel? Mijns inziens niet. Toewijzing van de civiele vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel kunnen, maar behoeven niet tezamen opgelegd te worden (HR 12 januari 1999, LJN ZD1408, NJ 1999, 246, waarin de Hoge Raad de gedachtegang van de wetgever corrigeerde). Het hof heeft overwogen welke schade vaststaat en dat verzoeker daarvoor aansprakelijk is.
9. Over de wijze van voeging in hoger beroep nog kort het volgende. Per 1 januari 2011 zijn de artikelen 51b-51f Sv met onmiddellijke ingang gewijzigd en daaraan is een nieuw artikel 51g Sv toegevoegd.(1) De consequentie van deze wijziging is echter niet doorgetrokken naar artikel 421, derde lid, Sv dat voor de rechtsgeldige voeging van de benadeelde partij in hoger beroep verwijst naar de overeenkomstig toe te passen artikelen 51b tot en met 51f Sv, maar voor de opgave - mijns inziens ten onrechte - (nog) verwijst naar art. 51b. Mij lijkt dat de wet vanaf 1 januari 2011 zó gelezen moet worden dat deze verwijst naar het nieuwe artikel 51g Sv.
10. Terug naar de bespreking van het eerste middel. Uit hetgeen ik hiervoor onder 7 opmerkte volgt dat het ervoor gehouden kan worden dat de benadeelde partij haar vordering in hoger beroep niet heeft willen handhaven. Blijkens de stukken van het geding is zij immers geïnformeerd over de behandeling van de zaak in hoger beroep op beide zittingsdata en is zij voorts in de gelegenheid gesteld zich door middel van een antwoordformulier in hoger beroep opnieuw te voegen. De benadeelde partij is op geen van de zittingsdata verschenen en heeft zich evenmin schriftelijk opnieuw in hoger beroep gevoegd. Daarom lijkt het mij aangewezen dat de Hoge Raad de zaak in zoverre op de voet van art. 440, tweede lid, eerste volzin, Sv zelf afdoet (vgl. HR 23 december 2008, LJN BG3449).
11. Het tweede middel klaagt dat het hof ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf een beslissing heeft genomen die niet verenigbaar is met hetgeen hetzelfde hof in een andere strafzaak, te weten de samenhangende zaak, een dag eerder heeft beslist.
12. Het hof heeft in beide strafzaken beslist tot tenuitvoerlegging van de eerder aan verzoeker voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van zes maanden, maar in de onderhavige zaak heeft het hof de jeugddetentie omgezet in gevangenisstraf en in de andere strafzaak niet.
13. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat in verschillende strafzaken op een vordering tot tenuitvoerlegging jegens dezelfde verdachte wordt beslist, mits geen van die beslissingen inmiddels onherroepelijk is (vgl. HR 9 december 2003, LJN AL6828). In zoverre is het middel derhalve tevergeefs voorgesteld.
14. Voor zover het middel tevens beoogt te klagen over 's hofs gegeven toepassing aan art. 77k Sr(2) geldt het volgende. Zoals volgt uit HR 23 maart 2004, LJN AO1751, NJ 2004, 255 en HR 8 april 2008, LJN BC5966, NJ 2008, 230 komt bij een beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie toepassing van art. 77k Sr immers niet in aanmerking. Het hof had dus bij de beslissing tot tenuitvoerlegging niet kunnen bepalen dat de straf van jeugddetentie wordt vervangen door gevangenisstraf. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
15. Indien uw Raad overeenkomstig mijn conclusie in de samenhangende zaak gelijktijdig met de onderhavige zaak beslist, ligt het in de rede de onderhavige uitspraak ten aanzien van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging te vernietigen. De tul-beslissing in die andere zaak - waarin terecht geen toepassing is gegeven aan art. 77k Sr - is dan immers onherroepelijk (vgl. HR 9 december 2003, LJN AL6819). Een andere optie is om na vernietiging van de tul-beslissing te verstaan dat het hof de tenuitvoerlegging heeft gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van zes maanden (vgl. HR 23 maart 2004, LJN AO1751).
16. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar slechts ten aanzien van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en ten aanzien van beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van zes maanden; subsidiair ten aanzien van dit laatste: voor zover bij dat arrest is bepaald dat de jeugddetentie wordt vervangen door gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces: Stb. 2010, 1; inwerkingtreding per 1 januari 2011: Stb. 2010, 291. Er geldt geen overgangsrecht voor die artikelen, zo volgt uit artikel X van de nieuwe wet; deze artikelen zijn derhalve sinds 1 januari 2011 per direct van kracht.
2 Zoals volgt uit HR 1 februari 2011, LJN BO9704, in welke zaak alleen bewijsklachten waren voorgesteld, leidt het ten onrechte toepassen van art. 77k Sr niet tot ambtshalve ingrijpen.