ECLI:NL:PHR:2011:BQ5858
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest hof wegens onduidelijkheid vaderschap bij poging zware mishandeling
De zaak betreft een verdachte die door het hof is veroordeeld wegens poging tot zware mishandeling van zijn zwangere dochter door haar met kracht in de buik te trappen in een abortuskliniek te Leiden. De bewezenverklaring steunde op verklaringen van verdachte zelf, getuigen en politieprocessen-verbaal.
Het hof kwalificeerde het feit als poging tot zware mishandeling tegen 'zijn kind' in de zin van artikel 304 Sr Pro (oud), waardoor een strafverzwarende omstandigheid van toepassing is. De verdachte en de moeder van het slachtoffer hebben samen een dochter, maar uit de bewijsmiddelen blijkt niet op grond van welke wettelijke grondslag (zoals erkenning, huwelijk of gerechtelijke vaststelling) verdachte juridisch vader is conform artikel 1:199 BW Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zonder nadere onderbouwing niet tot de strafverzwarende kwalificatie had mogen komen. Het middel van cassatie slaagt daarom. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling, waarbij de vraag van het vaderschap duidelijk moet worden vastgesteld.
Ambtshalve zijn geen andere vernietigingsgronden aangetroffen. De zaak wordt aldus terugverwezen voor een zorgvuldige beoordeling van de familierechtelijke verhouding tussen verdachte en het slachtoffer.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het vaderschap en de strafverzwarende kwalificatie.