ECLI:NL:PHR:2011:BQ5984
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging gezamenlijk ouderlijk gezag in eenhoofdig gezag en vaststelling omgangsregeling
Na de echtscheiding van partijen in 2006 werd het gezamenlijke ouderlijk gezag over hun jonge kinderen gewijzigd door het hof Den Bosch. Het hof droeg het eenhoofdig gezag over aan de moeder en stelde een omgangsregeling vast. Het hof motiveerde uitvoerig dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders zonder uitzicht op verbetering, waardoor een eenhoofdig gezag noodzakelijk werd geacht.
De verzoeker tot cassatie betwistte deze feiten en de motivering niet, maar ervoer de beslissing als een doorbreking van de gelijkwaardigheid tussen ouders en als een strafsanctie. De Hoge Raad oordeelde dat deze gevoelens juridisch irrelevant zijn en dat het hof zijn oordeel op een juiste maatstaf heeft gebaseerd.
Verder klaagde verzoeker dat het hof niet was ingegaan op zijn verzoek om een dwangsomsanctie te verbinden aan de omgangsregeling. De Hoge Raad stelde dat het hof vrij is in zijn beoordeling en dat het niet toewijzen van een dergelijke sanctie begrijpelijk was gezien de gekozen omgangsregeling. De klachten werden verworpen en het cassatieberoep afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het eenhoofdig gezag aan de moeder met omgangsregeling blijft gehandhaafd.