ECLI:NL:PHR:2011:BQ6075
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering tot verwijdering overbouw dakgoot wegens geringe inbreuk en belangenafweging
In deze zaak staat een burengeschil centraal over een overhangende dakgoot die inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de buurman. De eigenaar van de woning aan de [a-straat 1] vorderde verwijdering van de dakgoot en aanpassingen aan dakvenster en balkon van de naastgelegen woning. De rechtbank wees de vorderingen af, en het gerechtshof bekrachtigde dit oordeel met de overweging dat de overbouw met minder dan 40 cm breedte weliswaar een inbreuk vormt, maar niet van zodanige ernst is dat het belang van de eigenaar van de dakgoot moet wijken.
De Hoge Raad oordeelt dat de vordering tot verwijdering niet toewijsbaar is, mede omdat de eiser geen eigenaar meer is van het aangrenzende perceel en daardoor geen belang meer heeft bij de vordering. Daarnaast is het oordeel van het hof dat de geringe inbreuk niet tot verwijdering leidt vanwege een belangenafweging en het ontbreken van misbruik van recht, niet onbegrijpelijk. Ook de proceskostenveroordeling waarbij partijen elk hun eigen kosten dragen, wordt door de Hoge Raad bevestigd als rechtsgeldig.
De cassatie klaagt onder meer dat het hof onterecht art. 5:54 BW Pro niet toepaste en onvoldoende onderzoek deed naar misbruik van recht, maar deze klachten falen. De Hoge Raad benadrukt dat de belangenafweging en het ontbreken van misbruik van recht een juiste grondslag vormen voor afwijzing van de vordering. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot verwijdering van de dakgoot wordt afgewezen wegens geringe inbreuk en belangenafweging.