ECLI:NL:PHR:2011:BQ6709
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor seksueel binnendringen bij zwakbegaafd slachtoffer
In deze zaak stond verdachte terecht voor het plegen van seksuele handelingen, waaronder seksueel binnendringen, met een minderjarige die een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestesvermogens had dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken. Het hof had vastgesteld dat verdachte wist van deze verstandelijke beperking, mede gelet op het langdurige contact met het gezin en zijn eerdere werk in een jeugdinrichting.
Verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij niet bewust was van de verstandelijke beperking van het slachtoffer en dat hij zelf psychische problemen had. Het hof verwierp dit verweer op grond van verklaringen van de moeder, voogd en verdachte zelf, die het langdurige contact en de kennis van de situatie bevestigden.
De Hoge Raad behandelde ook de vraag welke handelingen onder het begrip "handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" vallen. De Raad bevestigde dat niet alle handelingen in de bewezenverklaring hieronder vallen, zoals het sturen van berichten en het meenemen naar de woning, maar dat deze wel afzonderlijk vervolgd kunnen worden. De veroordeling voor het seksueel binnendringen blijft echter in stand.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de strafrechtelijke veroordeling van twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, voor seksueel binnendringen van een minderjarige met een verstandelijke beperking.