ECLI:NL:PHR:2011:BQ7054
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen totstandkoming vaststellingsovereenkomst inzake beëindiging arbeidsovereenkomst
De zaak betreft een geschil over de vraag of tussen partijen een vaststellingsovereenkomst is overeengekomen ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer was sinds 1998 in dienst en werd in 2004 arbeidsongeschikt. In 2005 vonden onderhandelingen plaats over ontbinding met schadeloosstelling en andere voorwaarden. Hoewel partijen op hoofdlijnen overeenstemming bereikten, bleven belangrijke punten zoals pensioenopbouw over 2001-2003, de hoogte van de ontbindingsvergoeding, het aantal vakantiedagen en het concurrentiebeding onopgelost.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst en kende een vergoeding toe. De werknemer vorderde nakoming van de vaststellingsovereenkomst, maar het hof vernietigde het vonnis en wees de vorderingen af, stellende dat geen allesomvattende overeenkomst was gesloten. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat partijen niet over alle geschilpunten overeenstemming hadden bereikt, waardoor geen bindende vaststellingsovereenkomst tot stand kwam.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de discussie over pensioenafdracht over de jaren 2001 en 2002 niet zonder meer kon leiden tot toewijzing van de vordering, gezien de gemotiveerde betwisting door de werkgever. De klachten van de werknemer over de toepassing van het leerstuk van aanbod en aanvaarding en over de motivering van het hof worden verworpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal is verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat geen vaststellingsovereenkomst tot beëindiging arbeidsovereenkomst is gesloten en wijst vorderingen werknemer af.